Dit verhaal werkt een hypothese uit: dat de familie Verniers via een netwerk van doopsgezinde lakenkopers — de Anslo's en de Schoutens — haar weg vond van Amsterdam naar Weesp. De familiebanden hieronder zijn met bronnen onderbouwd; de verbinding met het vertrek van de Verniers naar Weesp wordt aan de hand van archiefstukken verder uitgewerkt.
Een huwelijk in 1611
Cornelis Claesz Anslo (1592–1646) kwam al voor in verhaal #8: de derde zoon van Claes Claesz Anslo en Giert(e) Jans, de stiefdochter van stamvader Laurens Verniers (ondertrouw 1582) (testament 1625). Cornelis werd lakenkoper, zoals zijn vader, en later een van de bekendste leraren van de Waterlandse doopsgezinden in Amsterdam (Wikipedia / GAMEO).
Op 9 januari 1611 trouwde Cornelis in Amsterdam met Aeltje (Aeltie) Gerritsdr. Schouten, geboren omstreeks 1589–1590 (kwartierstaat Zuiderent, gen. 13). Hij was toen achttien of negentien, zij een paar jaar ouder. Dertig jaar later, in 1641, schilderde Rembrandt het echtpaar in het beroemde dubbelportret dat nu in de Gemäldegalerie in Berlijn hangt: Cornelis, met de hand bij de opengeslagen Bijbel, spreekt tot Aeltje (Wikidata). Cornelis werd op 30 augustus 1646 in de Nieuwe Kerk begraven. Over Aeltjes sterfjaar verschillen de genealogieën: 1657, of kort vóór 20 november 1659 (Zuiderent).
Wie was Aeltje Schouten?
Aeltjes vader was Gerrit Cornelisz Schouten, geboren in 1567 in Weesp en overleden in 1626 in Amsterdam. Hij was lakenkoper; de Schoutens waren "een aanzienlijk doopsgezind lakenkopersgeslacht". Haar moeder heette Aeltgen Gerbrantsdr (kwartierstaat Zuiderent, gen. 14) — en de naam Gerbrand keert, zoals verderop blijkt, een generatie later terug.
Aeltjes grootvader was Cornelis Govertsz Schouten, ook "van Cleef" genoemd, woonachtig te Weesp en waarschijnlijk eveneens lakenkoper. Hij was getrouwd met Weyntgen Lap, uit een familie die al sinds de veertiende eeuw in Weesp en Naarden voorkomt (kwartierstaat Zuiderent, gen. 15). Aeltje was dus een Amsterdamse bruid met Weesper wortels: haar vader was er geboren, haar grootouders woonden er, en haar ooms bleven er wonen.
Niet te verwarren met: de ontdekkingsreiziger Willem Cornelisz Schouten, die in 1616 als eerste Kaap Hoorn rondde. Hij werd omstreeks 1567 in Hoorn geboren — hetzelfde jaar waarin Gerrit Cornelisz Schouten in Weesp ter wereld kwam — en voer mee met zijn broer Jan (Wikipedia). Het patroniem "Cornelisz" was in Holland heel gewoon; een familieband tussen de Hoornse zeevaarder en de Weesper lakenkopers is niet aangetoond.
De Schoutens van Weesp: laken en bier
Aeltjes oom Laurens Cornelisz Schouten (1568/69–1642), een broer van haar vader, bleef in Weesp. Hij was een doopsgezinde koopman en bierbrouwer en gold als de rijkste inwoner van het stadje in zijn tijd (Familiearchief De Clercq) (Zuiderent). Toen stadhouder Frederik Hendrik in september 1631 Weesp bezocht, was Laurens zijn gastheer — en de stadhouder complimenteerde hem met het Weesper bier (Ons Amsterdam). Ten noorden van de Geinbrug liet Laurens een lusthof bouwen, later de Schoutenhof genoemd: hij was de eerste van een reeks rijke Amsterdammers en Weespers die langs het Gein een buitenplaats kregen (De Clercq) (Ons Amsterdam).
Dat bier was geen bijzaak. Weesp had in de zeventiende eeuw handelaren, enige lakennijverheid en vooral brouwerijen. Het water van de Vecht was er goed; toen het Amsterdamse water door vervuiling steeds minder geschikt werd om bier te brouwen, lieten Amsterdamse brouwers zelfs Vechtwater in schuiten naar de stad slepen. De accijns lag in Weesp bovendien lager dan in Amsterdam. Later in de eeuw kwam daar de branderij bij: in 1667 telde Weesp al 23 branderijen, en Weesper brandewijn en jenever werden tot in Suriname en op Java gedronken (Ons Amsterdam).
Volgens een genealogische kwartierstaat trouwde Laurens Schouten met "een nicht van Vondel" (Zuiderent). In het zeventiende-eeuwse Nederlands kan "nicht" zowel een dochter van een broer of zus als een volle nicht betekenen; wie zij precies was, staat nog open.
Een tweede huwelijk: Gerbrand Anslo en Abigael Schouten, 1636
Cornelis en Aeltje noemden hun zoon Gerbrand — vermoedelijk naar Aeltjes grootvader van moederskant, de vader van Aeltgen Gerbrantsdr. Gerbrand Cornelisz Anslo (1612–1643) werd lakenkoper, net als zijn vader en grootvader, in de Kalkoensche Haan aan de Nieuwendijk, en in 1643 hoofdman van de saainering (De Clercq).
Op 20 maart 1636 werd hij ondertrouwd met Abigael (Abigel) Schouten, de dochter van de rijke Weesper oom Laurens Cornelisz Schouten (Wikipedia) (De Clercq). Omdat Abigaels vader en Gerbrands grootvader Gerrit broers waren, trouwde Gerbrand met een volle nicht van zijn eigen moeder. Joost van den Vondel schreef een bruiloftsgedicht voor het paar (Wikipedia).
In 1642 liet Gerbrand door de bekende architect Philips Vingboons een groot herenhuis bouwen, maar hij kon er nauwelijks van genieten: hij stierf kort na de voltooiing, in 1643. Na de dood van Laurens Schouten (1642) was de Schoutenhof aan het Gein aan Abigael gekomen; als weduwe verkocht zij de buitenplaats in 1647 aan de gebroeders Arnout en Hans Pelt, suikerbakkers aan het Rokin (De Clercq). Tot 1647 had de familie Anslo dus, via Abigael, een eigen plek aan de rand van Weesp.
Vondel in het midden
In dit netwerk staat Joost van den Vondel steeds dichtbij. Hij werd in 1606 gedoopt bij de Waterlanders en was van 1616 tot 1620 diaken van die gemeente (KB) — dezelfde gemeente waar Cornelis Anslo vanaf 1617 leraar was. Voor Gerbrand en Abigael schreef hij in 1636 hun bruiloftsvers. En bij Rembrandts ets van Cornelis schreef hij in 1641 zijn beroemde kwatrijn:
Ay Rembrant, maal Cornelis stem.
Het zichtbre deel is 't minst van hem:
't Onzichtbre kent men slechts door d'ooren.
Wie Anslo zien wil, moet hem hooren.
Rond diezelfde tijd, omstreeks 1640–1641, ging Vondel zelf over tot de rooms-katholieke kerk (KB). De band met de doopsgezinde families van zijn jonge jaren liep via zijn gemeente, zijn gedichten en — als de "nicht van Vondel" klopt — ook via het huwelijk van Laurens Schouten.
De weg naar Weesp: een hypothese
In verhaal #7 stond de vraag centraal: waarom Weesp? Daar werd een algemene verklaring voorgesteld — doopsgezinde mannen die in steden van de Republiek bestuurlijke ruimte kregen. Het Anslo-Schouten-netwerk maakt die vraag concreter. Zet de twee families naast elkaar:
| Jaar | Anslo & Schouten | Verniers |
| 1582 | Claes Claesz Anslo trouwt met Giert(e) Jans | Giert(e) is de stiefdochter van stamvader Laurens Verniers |
| 1585 | Zijdelakenkoper Thomas van Tongerloo bij de honderd hoogstaangeslagenen, Warmoesstraat | Laurens Verniers aan de oostzijde van de Warmoesstraat |
| 1590 | Cornelis van Tongerloo door Haarlem in de ban gedaan | Laurens Verniers in dezelfde ban; samen naar Franeker |
| 1592–1595 | Cornelis Claesz Anslo geboren (1592) | Lourens Verniers, kleinzoon van Laurens, geboren (1594/95) |
| 1594 | Brouwer Claes Claesz Del (Weesp) trouwt met Ytje Huybertsdr, dochter van brouwer Huybert Gooyer (Hoorn) | — |
| 1605 | Vondels vroegst bekende gedicht, voor de bruiloft van Clara van Tongerloo | — |
| 1611 | Cornelis trouwt met Aeltje Gerritsdr. Schouten (9 januari) | — |
| 1615 | — | Lourens Verniers, lakenkoper, trouwt met Sara Stevens |
| 1618 | — | Laurens Verniers, zijdelakenkoper, krijgt protest op een wisselbrief uit Danzig (9 juni) |
| 1622 | Giert(e) Jans krijgt vierhonderd gulden in het testament van Trijntgen Verniers | Trijntgen noemt in hetzelfde testament haar neef Louwerens als erfgenaam |
| 1623 | — | Pieter Lourens Verniers geboren; zijn vader Lourens overlijdt |
| 1631 | Frederik Hendrik te gast bij Laurens Schouten in Weesp | — |
| 1636 | Gerbrand Anslo en Abigael Schouten ondertrouwd; bruiloftsvers van Vondel | — |
| 1637 | Teuntie Cornelisdr Anslo trouwt met Jan Claesz Del (12 november) | — |
| 1642–1647 | Laurens Schouten overlijdt (1642), Gerbrand Anslo overlijdt (1643), Abigael verkoopt de Schoutenhof (1647) | — |
| 1648 | — | Pieter Lourens legt in Amsterdam zijn meesterproef als chirurgijn af |
| 1656 | — | Pieter Lourens is schepen van Weesp |
| 1694 | — | Mr. Cornelis Verniers, zoon van Pieter Lourens, heemraad voor Weesp |
| 1700 | — | Laurens Verniers, zoon van Mr. Cornelis, bierbeschooier te Diemen: beslag op een bierlevering en arbitrage met de impostmeester (19 mei) |
Drie dingen vallen op.
Hetzelfde vak. De Anslo's waren lakenkopers, de Schoutens waren een lakenkopersgeslacht, en Lourens Verniers — de vader van Pieter Lourens — werd in 1618 "sijde Laecken Cooper" genoemd, zijdelakenkoper (zie hieronder). Cornelis Anslo en Lourens Verniers waren leeftijdgenoten en, via Giert(e) Jans en haar stiefbroer Pieter Verniers, stiefneven. In de Amsterdamse lakenhandel rond 1615–1620 moeten zij elkaar zijn tegengekomen.
Een band die bleef bestaan. Dat de families elkaar na de dood van Laurens Verniers niet uit het oog verloren, laat het testament van Trijntgen Verniers uit 1622 zien. Daarin krijgt Giert(e) Jans, de moeder van Cornelis Anslo, vierhonderd gulden — en in datzelfde testament wordt Louwerens, de vader van Pieter Lourens, als erfgenaam genoemd (testament 1622) (lees verhaal #6 →). De Anslo's en de Verniersen stonden dus in één en hetzelfde document.
De timing. De Weesper Schoutens waren op hun hoogtepunt in de jaren 1630: de rijkste man van de stad, gastheer van de stadhouder, met een buitenplaats aan het Gein die via Abigael tot 1647 in handen van de Anslo's bleef. Pieter Lourens Verniers, die zijn vader als baby verloor, rondde in 1648 in Amsterdam zijn opleiding tot chirurgijn af — en in 1656 zit hij als schepen in Weesp (meesterproef 1648) (akte 1656). Een jonge chirurgijn die zich in een kleinere stad wilde vestigen, had baat bij bekenden onder de gegoede families daar. Via het Anslo-Schouten-netwerk had de familie Verniers precies zulke bekenden in Weesp.
Hoe Pieter Lourens in Weesp precies met de Schoutens en de Anslo's verbonden was — als getuige bij een doop of ondertrouw, als voogd, of in notariële en schepenakten — wordt aan de hand van archiefstukken verder uitgewerkt, net als de familie van zijn vrouw Marretje Dircksdr.
Laurens Verniers, zijdelakenkoper: een wisselbrief uit Danzig, 1618
Dat Lourens (Laurens) Verniers volop in de Amsterdamse textielhandel zat, laat een notariële akte van 9 juni 1618 zien (Stadsarchief Amsterdam, 5075 inv.nr. 435). Notaris Palm Mathijsen begaf zich die dag, op verzoek van de Amsterdamse koopman Jan Visscher van Aecken, naar "Laurens Verniers sijde Laecken Cooper binnen deser Stede" — een zijdelakenkoper, een handelaar in zijden stoffen. Laurens was toen een jaar of drieëntwintig en drie jaar getrouwd met Sara Stevens.
De notaris toonde hem een wisselbrief uit Danzig, gedateerd 14 april (1618) en geopend met de gebruikelijke koopmansformule "Laus Deo". De brief, getekend door Heijndrick Utesch, droeg Laurens op om zes weken na zicht honderdveertig pond Vlaams te betalen aan Jan Visscher van Aecken — omgerekend zo'n 840 gulden, een flink bedrag. Laurens had de wissel al op 18 april geaccepteerd, en het adres op de brief luidde "deersame Discreete Sr. Laurens Verniers in Amsterdam". Nu de termijn verstreken was, vroeg de notaris of hij direct in contant geld wilde betalen. Laurens antwoordde dat hij het zo snel mogelijk zou voldoen. Omdat de betaling niet meteen volgde, tekende de notaris namens Visscher protest aan wegens niet-betaling, met voorbehoud van herwissel, kosten, schade en interest — te verhalen op de trekker, de acceptant en alle anderen die zich voor de wissel verbonden hadden.
Zo'n protest was in de handel van die tijd een gewone formaliteit: het was de stap die de houder van een wissel moest zetten om zijn rechten te bewaren, en zegt niet zonder meer iets over de kredietwaardigheid van de acceptant. Wat de akte wel laat zien, is het netwerk waarin Laurens handelde: een wissel uit Danzig, de grote Oostzeehaven waar de Amsterdamse kooplieden hun graan haalden en hun laken verkochten. En het beroep "zijdelakenkoper" plaatst hem in dezelfde wereld van zijde- en stoffenhandel als de familie Vondel in de Warmoesstraat en de doopsgezinde zijdehandelaars De Wolff, uit wier familie Vondel in 1610 zijn vrouw koos (zie verhaal #8).
Hieronder de transcriptie van het protest, in het oorspronkelijke Nederlands, als primaire bron. Op dezelfde registerbladzijde staan ook delen van twee andere akten (een testament en een volmacht van 8 juni 1618); die zijn hier weggelaten, aangegeven met […]. Bron 172.
This story works out a hypothesis: that the Verniers family found its way from Amsterdam to Weesp through a network of Mennonite cloth merchants — the Anslos and the Schoutens. The family ties below are supported by sources; the link with the Verniers' move to Weesp will be worked out further on the basis of archival documents.
A marriage in 1611
Cornelis Claesz Anslo (1592–1646) already appeared in story #8: the third son of Claes Claesz Anslo and Giert(e) Jans, the stepdaughter of stamvader Laurens Verniers (betrothal 1582) (will 1625). Cornelis became a cloth merchant like his father, and later one of the best-known teachers of the Waterland Mennonites in Amsterdam (Wikipedia / GAMEO).
On 9 January 1611 Cornelis married, in Amsterdam, Aeltje (Aeltie) Gerritsdr. Schouten, born around 1589–1590 (Zuiderent pedigree, gen. 13). He was eighteen or nineteen, she a few years older. Thirty years later, in 1641, Rembrandt painted the couple in the famous double portrait now in the Gemäldegalerie in Berlin: Cornelis, his hand by the open Bible, speaks to Aeltje (Wikidata). Cornelis was buried in the Nieuwe Kerk on 30 August 1646. Genealogies differ on the year of Aeltje's death: 1657, or shortly before 20 November 1659 (Zuiderent).
Who was Aeltje Schouten?
Aeltje's father was Gerrit Cornelisz Schouten, born in 1567 in Weesp and died in 1626 in Amsterdam. He was a cloth merchant; the Schoutens were "a prominent Mennonite family of cloth merchants". Her mother was Aeltgen Gerbrantsdr (Zuiderent pedigree, gen. 14) — and the name Gerbrand, as will become clear, returns a generation later.
Aeltje's grandfather was Cornelis Govertsz Schouten, also called "van Cleef", who lived in Weesp and was probably a cloth merchant too. He was married to Weyntgen Lap, from a family found in Weesp and Naarden since the fourteenth century (Zuiderent pedigree, gen. 15). Aeltje was thus an Amsterdam bride with roots in Weesp: her father was born there, her grandparents lived there, and her uncles stayed there.
Not to be confused with: the explorer Willem Cornelisz Schouten, who in 1616 was the first to round Cape Horn. He was born around 1567 in Hoorn — the same year Gerrit Cornelisz Schouten was born in Weesp — and sailed with his brother Jan (Wikipedia). The patronymic "Cornelisz" was very common in Holland; no family tie between the Hoorn navigator and the Weesp cloth merchants has been demonstrated.
The Schoutens of Weesp: cloth and beer
Aeltje's uncle Laurens Cornelisz Schouten (1568/69–1642), a brother of her father, stayed in Weesp. He was a Mennonite merchant and brewer and was regarded as the richest inhabitant of the town in his day (De Clercq family archive) (Zuiderent). When stadholder Frederick Henry visited Weesp in September 1631, Laurens was his host — and the stadholder complimented him on the Weesp beer (Ons Amsterdam). North of the Gein bridge Laurens had a country retreat built, later called the Schoutenhof: he was the first of a series of wealthy Amsterdammers and Weesp citizens to own a country house along the Gein (De Clercq) (Ons Amsterdam).
That beer was no side issue. In the seventeenth century Weesp had merchants, some cloth industry and, above all, breweries. The water of the Vecht was good; when pollution made Amsterdam's own water less and less suitable for brewing, Amsterdam brewers even had Vecht water towed to the city in barges. Excise duty in Weesp was also lower than in Amsterdam. Later in the century distilling was added: by 1667 Weesp already had 23 distilleries, and Weesp brandy and jenever were drunk as far away as Suriname and Java (Ons Amsterdam).
According to a genealogical pedigree, Laurens Schouten married "a nicht of Vondel" (Zuiderent). In seventeenth-century Dutch, nicht can mean either a niece or a first cousin; exactly who she was remains open.
A second marriage: Gerbrand Anslo and Abigael Schouten, 1636
Cornelis and Aeltje named their son Gerbrand — probably after Aeltje's maternal grandfather, the father of Aeltgen Gerbrantsdr. Gerbrand Cornelisz Anslo (1612–1643) became a cloth merchant like his father and grandfather, at de Kalkoensche Haan on the Nieuwendijk, and in 1643 a warden (hoofdman) of the say-weavers' guild (De Clercq).
On 20 March 1636 he was betrothed to Abigael (Abigel) Schouten, the daughter of the wealthy Weesp uncle Laurens Cornelisz Schouten (Wikipedia) (De Clercq). Since Abigael's father and Gerbrand's grandfather Gerrit were brothers, Gerbrand married a first cousin of his own mother. Joost van den Vondel wrote a wedding poem for the couple (Wikipedia).
In 1642 Gerbrand had a large town house built by the well-known architect Philips Vingboons, but he hardly lived to enjoy it: he died shortly after its completion, in 1643. After the death of Laurens Schouten (1642) the Schoutenhof on the Gein had passed to Abigael; as a widow she sold the country house in 1647 to the brothers Arnout and Hans Pelt, sugar refiners on the Rokin (De Clercq). Until 1647, then, the Anslo family had, through Abigael, a place of its own on the edge of Weesp.
Vondel in the middle
In this network Joost van den Vondel is never far away. He was baptised among the Waterlanders in 1606 and was a deacon of that congregation from 1616 to 1620 (KB) — the same congregation in which Cornelis Anslo was a teacher from 1617. For Gerbrand and Abigael he wrote their wedding verse in 1636. And for Rembrandt's etching of Cornelis he wrote his famous quatrain in 1641 (kept here in the original Dutch; in English roughly: "Ah Rembrandt, paint Cornelis' voice. The visible part is the least of him: the invisible is known only through the ears. Whoever wants to see Anslo must hear him."):
Ay Rembrant, maal Cornelis stem.
Het zichtbre deel is 't minst van hem:
't Onzichtbre kent men slechts door d'ooren.
Wie Anslo zien wil, moet hem hooren.
Around the same time, about 1640–1641, Vondel himself converted to the Roman Catholic Church (KB). His ties with the Mennonite families of his younger years ran through his congregation, his poems and — if the "nicht of Vondel" is correct — also through the marriage of Laurens Schouten.
The road to Weesp: a hypothesis
In story #7 the question was: why Weesp? A general explanation was proposed there — Mennonite men who found room in the administration of towns in the Dutch Republic. The Anslo-Schouten network makes that question more concrete. Put the two families side by side:
| Year | Anslo & Schouten | Verniers |
| 1582 | Claes Claesz Anslo marries Giert(e) Jans | Giert(e) is the stepdaughter of stamvader Laurens Verniers |
| 1585 | Silk-cloth merchant Thomas van Tongerloo among the hundred highest-assessed, Warmoesstraat | Laurens Verniers on the east side of the Warmoesstraat |
| 1590 | Cornelis van Tongerloo banned by Haarlem | Laurens Verniers under the same ban; together to Franeker |
| 1592–1595 | Cornelis Claesz Anslo born (1592) | Lourens Verniers, grandson of Laurens, born (1594/95) |
| 1594 | Brewer Claes Claesz Del (Weesp) marries Ytje Huybertsdr, daughter of brewer Huybert Gooyer (Hoorn) | — |
| 1605 | Vondel's earliest known poem, for the wedding of Clara van Tongerloo | — |
| 1611 | Cornelis marries Aeltje Gerritsdr. Schouten (9 January) | — |
| 1615 | — | Lourens Verniers, cloth merchant, marries Sara Stevens |
| 1618 | — | Laurens Verniers, silk-cloth merchant, receives a protest on a bill of exchange from Danzig (9 June) |
| 1622 | Giert(e) Jans receives four hundred guilders in Trijntgen Verniers's will | In the same will Trijntgen names her nephew Louwerens as heir |
| 1623 | — | Pieter Lourens Verniers born; his father Lourens dies |
| 1631 | Frederick Henry the guest of Laurens Schouten in Weesp | — |
| 1636 | Gerbrand Anslo and Abigael Schouten betrothed; wedding verse by Vondel | — |
| 1637 | Teuntie Cornelisdr Anslo marries Jan Claesz Del (12 November) | — |
| 1642–1647 | Laurens Schouten dies (1642), Gerbrand Anslo dies (1643), Abigael sells the Schoutenhof (1647) | — |
| 1648 | — | Pieter Lourens passes his master's examination as a surgeon in Amsterdam |
| 1656 | — | Pieter Lourens is an alderman (schepen) of Weesp |
| 1694 | — | Mr. Cornelis Verniers, son of Pieter Lourens, dike reeve (heemraad) for Weesp |
| 1700 | — | Laurens Verniers, son of Mr. Cornelis, bierbeschooier at Diemen: a beer delivery seized and arbitration with the excise master (19 May) |
Three things stand out.
The same trade. The Anslos were cloth merchants, the Schoutens were a family of cloth merchants, and Lourens Verniers — the father of Pieter Lourens — was called a "sijde Laecken Cooper", a silk-cloth merchant, in 1618 (see below). Cornelis Anslo and Lourens Verniers were of the same age and, through Giert(e) Jans and her stepbrother Pieter Verniers, step-cousins. In the Amsterdam cloth trade around 1615–1620 they must have crossed paths.
A bond that lasted. That the families did not lose sight of each other after Laurens Verniers's death is shown by Trijntgen Verniers's will of 1622. In it Giert(e) Jans, the mother of Cornelis Anslo, receives four hundred guilders — and in that same will Louwerens, the father of Pieter Lourens, is named as heir (will 1622) (read story #6 →). The Anslos and the Verniers thus appear in one and the same document.
The timing. The Weesp Schoutens were at their height in the 1630s: the richest man in town, host to the stadholder, with a country house on the Gein that stayed in Anslo hands through Abigael until 1647. Pieter Lourens Verniers, who lost his father as a baby, completed his training as a surgeon in Amsterdam in 1648 — and in 1656 he sits as an alderman in Weesp (master's examination 1648) (deed 1656). A young surgeon wishing to settle in a smaller town benefited from acquaintances among its well-to-do families. Through the Anslo-Schouten network the Verniers family had exactly such acquaintances in Weesp.
How exactly Pieter Lourens was connected with the Schoutens and the Anslos in Weesp — as a witness at a baptism or betrothal, as a guardian, or in notarial and aldermen's deeds — will be worked out further on the basis of archival documents, as will the family of his wife Marretje Dircksdr.
Laurens Verniers, silk-cloth merchant: a bill of exchange from Danzig, 1618
That Lourens (Laurens) Verniers was fully engaged in the Amsterdam textile trade is shown by a notarial deed of 9 June 1618 (Amsterdam City Archives, 5075 inv. no. 435). That day notary Palm Mathijsen, at the request of the Amsterdam merchant Jan Visscher van Aecken, went to "Laurens Verniers sijde Laecken Cooper binnen deser Stede" — a silk-cloth merchant (zijdelakenkoper), a dealer in silk fabrics. Laurens was then about twenty-three and had been married to Sara Stevens for three years.
The notary showed him a bill of exchange from Danzig, dated 14 April (1618) and opening with the usual merchants' formula "Laus Deo". The bill, signed by Heijndrick Utesch, instructed Laurens to pay one hundred and forty pounds Flemish to Jan Visscher van Aecken six weeks after sight — some 840 guilders, a substantial sum. Laurens had already accepted the bill on 18 April, and it was addressed to "deersame Discreete Sr. Laurens Verniers in Amsterdam". Now that the term had expired, the notary asked whether he would pay at once in cash. Laurens answered that he would settle it as soon as possible. Because payment did not follow immediately, the notary lodged a protest on Visscher's behalf for non-payment, reserving re-exchange, costs, damages and interest — recoverable from the drawer, the acceptor and everyone else bound by the bill.
Such a protest was a routine formality in the trade of the time: it was the step the holder of a bill had to take to preserve his rights, and says nothing in itself about the acceptor's creditworthiness. What the deed does show is the network in which Laurens traded: a bill from Danzig, the great Baltic port where Amsterdam merchants bought their grain and sold their cloth. And the occupation "zijdelakenkoper" places him in the same world of silk and textile trading as the Vondel family in the Warmoesstraat and the Mennonite silk merchants De Wolff, from whose family Vondel chose his wife in 1610 (see story #8).
Below is the transcription of the protest, in the original Dutch, as a primary source. The same register page also contains parts of two other deeds (a will and a power of attorney of 8 June 1618); these are omitted here, marked […]. Source 172.
Protest van een wisselbrief · 9 juni 1618
Op huijden Den negenden Junij anno xvi ende achtien hebick Palm mathijsen openbaer notaris ende ter presentie vande ondergeschreven getuijgen mij ter requisitie ende versoecke van deersame Jan visscher van aecken Coopman deser Stede getransporteert ende gevoecht neffens de persoon van Laurens Verniers sijde Laecken Cooper binnen deser Stede Ende hen vertoont een wistelbrieff waer van den teneur hier wae van woorde te woorde geinsereert staet hem vraegende off hij den voorss. bij hem alreede geaccepteert Ende W0t. Br0 daer aff den Dach vervullen was in gereeden gelde datelijck Datelijck wilde betaelen twelck hem door mij notaris voor gehouden sijnde seijde als van daer ten langsten hem percasse te sullen vot¬doen
Ende over mits de betaelinge promte lijck niet en geschiede hebicu notaris voor noemt wtten naem als booven wel Expre selijck geprotesteert van fante der betaen linge mitsgaders van wissel ende her […] wissel ende voorts van Costen schaden ende Interesten Daer omme alreede gehadt ende geleeden ende noch te hebben ende Lijden om allen tselve in tijden ende wijlen soo wel aende trecker vider schrijver vande selve wisselbrieffden acceptant deselfs ende allen anderen daerinne verobligeert ende verbonden weesende te sullen verhaele daer ende soo hij dat te raede vinden si
Gedaen binnen der voorss. Stede ter presentie van tijman van Baccum wls getuijch hiertoe versocht, hier volcht den tenens vande voorss. wisselbrieff
Lans der Aibis ad 14 April Dansigh f140 pl.
Ses weecken naer sicht betaelt mijne eersten den tweeden niet an Sr. Jan vichscher van aecken de somme van honder veertich pont waems hier worde vernagelt van Sr niclaij Marisal dvet goede betaelinge stellet ob vl rekeninge
vale
Ende was onderteijckent vli heijndrick utesch · ter sijden stont geacce¬teert ach 18 April · de superscriptie vor deersame Discreete Sr. Laurens Verniers in Amsterdam
Buren in de Warmoesstraat: de zijdelakenkopers Van Tongerloo
Laurens Verniers was niet de enige zijdelakenkoper in deze kring. Al vóór de val van Antwerpen had Thomas van Tongerloo (1522–1591), afkomstig uit die stad, zich als zijdelakenkoper gevestigd in de Amsterdamse Warmoesstraat. Hij was bepaald welgesteld: in de Capitale Impositie van 1585 behoorde hij tot de honderd hoogstaangeslagenen van de stad (De Clercq). In datzelfde belastingregister staat ook onze stamvader Laurens Verniers genoteerd, aan de oostzijde van de Warmoesstraat (zie verhaal #8). De familie Van Tongerloo wordt gerekend tot de belangrijke koopliedengeslachten van Amsterdam rond 1600.
Zijn zoon Cornelis van Tongerloo (1555–1617), geboren in Antwerpen, werkte vooral in de textiel, maar kocht en verkocht ook veelvuldig huizen en percelen grond — in Amsterdam én in Weesp, kennelijk om te speculeren (De Clercq). Al rond 1600 keken Amsterdamse doopsgezinde textielhandelaren dus naar Weesp. Cornelis' jongere broers handelden op Venetië; de bekendste, Abraham van Tongerloo (ca. 1569–1623), was de Amsterdamse factor van de Venetiaanse edelman Francesco Morosini en was in 1595–1598 betrokken bij de bouw van een zeer groot schip voor hem.
Met de familie Verniers deelde Cornelis meer dan de straat en het vak. In het Huiskopersconflict rond Franeker was hij een van de Amsterdamse gedelegeerden. Tussen 5 februari en 13 mei 1590 deden de Haarlemse oudsten een groep broeders in de ban: onder hen Laurens Verniers — en, als enige Amsterdammer, Cornelis van Tongerloo. Samen ondertekenden zij daarna de brieven aan Thomas Bintgens in Franeker (Stuve, 2005) (lees verhaal #1 →). Later was Cornelis waarschijnlijk lidmaat van de Vlaamse gemeente die vanaf 1608 samenkwam in de schuilkerk bij 't Lam aan het Singel; in 1609 werden een zoon en een schoonzoon van hem daar tot diaken gekozen (De Clercq). Aan de diakenen van diezelfde Vlaamse gemeente liet Pieter Lourens Verniers in 1656 zijn deel van het geld van zijn oudtante Trijntgen na (zie verhaal #6).
Ook hier is Vondel dichtbij. De families Van Tongerloo en Van den Vondel woonden vlak bij elkaar in de Warmoesstraat, op nr. 35 en nr. 39, en waren goede bekenden. Toen Cornelis' dochter Clara van Tongerloo (1584/85–1640) in juli 1605 trouwde met Jacob Haesbaert junior, schreef de toen nog heel jonge Joost van den Vondel een gedicht voor het paar — het vroegst bekende werk van de latere dichter (De Clercq). Cornelis' stiefmoeder Geertruyt de Vreede hertrouwde in 1606 met Guillaume Utenhove, telg uit een oud Gents patriçiërsgeslacht, die samen met zijn stiefzoon Cornelis als gedelegeerde van de Amsterdamse Vlaamse gemeente bij het Huiskopersconflict betrokken was geweest.
Cornelis' laatste jaren verliepen minder voorspoedig. Omdat Amsterdam geen eigen lakennijverheid had, probeerde hij in 1616 een Amsterdamse draperie op te richten, maar ondanks aanzienlijke subsidies van het stadsbestuur mislukte de onderneming. Hij overleed in maart 1617. De vroedschap, bekend met de "groten iver, arbeyd ende naerstichheyt, die wylen de voorn. Cornelis van Tongerloe tot vorderinge van de voors. neringe ten beste van de stad heeft gehad ende gedaen", besloot zijn erfgenamen en andere gedupeerden met een subsidie te steunen (De Clercq).
Rond 1600 woonden in één Amsterdamse straat dus de Verniersen, de Vondels en de Van Tongerloos: Vlaamse doopsgezinde vluchtelingen, handelaren in laken en zijde, verbonden door hetzelfde geloofsconflict, dezelfde gemeente en — via Vondels eerste gedicht — zelfs door dezelfde bruiloftsverzen. En al in die generatie liepen de lijnen van de Warmoesstraat naar Weesp.
Een patroon: families die bij elkaar blijven
Wat dit verhaal laat zien, past in het beeld dat op deze site steeds weer terugkeert. Doopsgezinde families in Amsterdam en omgeving trouwden met elkaar, bleven bij elkaar in de buurt wonen, deden zaken in dezelfde branche en stonden elkaar bij als voogd, getuige of erfgenaam. In 1582 trouwde de stiefdochter van Laurens Verniers met een Anslo; in 1611 trouwde een Anslo met een Schouten; in 1636 trouwde de volgende Anslo opnieuw met een Schouten, een volle nicht van zijn moeder. Rond 1600 woonden de Verniersen, de Vondels en de Van Tongerloos als buren in de Warmoesstraat. Vondel zelf trouwde in 1610 met Maeyken de Wolff, uit een eveneens doopsgezinde familie van zijdehandelaars (Sterck, DBNL). Laken, geloof en huwelijk hielden deze families bij elkaar — en brachten ze, zo lijkt het, samen naar Weesp.
Brouwers onder elkaar: de Gooyers en de Dels
Het netwerk rond de Anslo's en de Schoutens reikte nog verder de brouwerswereld in. In Hoorn woonde omstreeks 1550–1600 Huybert Gysbertsz Gooyer, brouwer en koopman in de drie schuppen. Zijn vrouw Jannetje Ansemsdr had twee zusters in Weesp, die daar eveneens in de drankennering werkzaam waren (kwartierstaat Zuiderent, gen. 14). Aan dit geslacht is een eigen studie gewijd: "Ruim een eeuw nageslacht van Huybert Gysbertsz. Gooyer, een zestiende-eeuwse brouwer" (Gens Nostra 1993) — dezelfde studie die ook als bron dient voor de Weesper Schoutens.
Huyberts dochter Ytje Huybertsdr verhuisde in 1594 van Hoorn naar Weesp, na haar ondertrouw op 10 september 1594 met Claes Claesz Del. Del was brouwer in Weesp in de sterre met de croon en een van de machtigste mannen van de stad: schepen (1604–1619), meermaals burgemeester (tussen 1613 en 1633), lid van de vroedschap vanaf 1622, weesmeester en regent van het weeshuis. Na Ytjes dood in 1624 hertrouwde hij met Niesje Cornelisdr Schouten — een Weesper Schouten, naar haar vadersnaam vermoedelijk een zuster van Laurens en Gerrit (kwartierstaat Zuiderent, gen. 13).
En de kring sluit: hun zoon Jan Claesz Del (Weesp ca. 1611 – Amsterdam 1681), koopman en makelaar in Amsterdam en actief in de doopsgezinde gemeente, trouwde op 12 november 1637 met Teuntie Cornelisdr Anslo (ca. 1616–1648) — de dochter van Cornelis Anslo en Aeltje Schouten (kwartierstaat Zuiderent, gen. 12). Binnen één jaar na het huwelijk van Gerbrand Anslo met Abigael Schouten trouwde zijn zuster dus met de zoon van een Weesper brouwer-burgemeester en een kleindochter van de Hoornse brouwer Gooyer.
De Verniersen in de biernering
Een generatie later duikt de naam Gooyer op in onze eigen stamboom. Mr. Cornelis Verniers (1652–1719), chirurgijn, zoon van Pieter Lourens en vanaf 1694 heemraad voor Weesp (zie verhaal #8), trouwde met Grietje Pieters de Gooijer (zie de stamboom). Waar Grietje vandaan kwam en hoe zij zich verhoudt tot het Hoornse brouwersgeslacht Gooyer, wordt verder uitgewerkt.
Hun zoon Laurens (Lourens) Verniers, getrouwd met Elisabeth Langerbeen, was aan het einde van de zeventiende eeuw bierbeschooier te Diemen. Daarmee kwam de familie Verniers terecht in dezelfde biernering waarin de Schoutens, de Dels en de Gooyers groot werden — en vormt de trouw met een De Gooijer het zoveelste huwelijk tussen de doopsgezinde lakenkopers-, chirurgijns- en brouwersfamilies rond Amsterdam en Weesp.
Een beslagen bierlevering aan de Diemerbrug, 1700
Hoe dat werk er in de praktijk uitzag, laat een notariële akte van 19 mei 1700 zien (Stadsarchief Amsterdam, 5075 inv.nr. 6391). Tegenover elkaar staan Pieter Aldenhoven, voor de lopende termijn "impostmeester vande bieren over Amsterdam en Amstelant" — de man die de accijns op bier inde — en heer Cornelis Verniers, die optreedt als borg voor zijn zoon "Laurens Verniers bier beschoijer tot diemen".
Aldenhoven had een zending van Laurens aangehouden: twee halve vaten bier, die volgens Cornelis bestemd waren voor een klant in de Diemermeer, de in 1631 drooggemalen polder bij Diemen. De impostmeester hield vol dat het bier, samen met de bierwagen en twee paarden, niet alleen verbeurd was, maar dat er op grond van het "generale placcaet" bovendien een boete betaald moest worden. De goederen waren in beslag genomen en bleven staan in het huis van Jan Stoop, hospes aan de Diemerbrug, tot deze akte werd gepasseerd.
In plaats van te gaan procederen kwamen de partijen, met instemming van de baljuw en dijkgraaf van Amstelland, overeen het geschil voor te leggen aan twee scheidslieden: Mr. Jacob Molengraeff, advocaat, en Michiel Cock, notaris in Amsterdam. Zij zouden beslissen "soo wel nae scherpigheijt van reghten als naer reden en billickheijt". Cornelis koos domicilie ten huize van Sijbrant van Bort in de Utrechtsestraat bij de Kerkstraat in Amsterdam, en nam de kosten van het beslag bij Jan Stoop voor zijn rekening. De akte werd gepasseerd aan de Diemerbrug, met als getuigen Pieter de Letter, schout van Diemen, en Jacob Schutter, deurwaarder van de gemeene middelen. Onder de akte staat de handtekening "Cornelis Verniers".
De akte laat zien hoe dicht de familie op de biernering zat: de zoon als bierbeschooier te Diemen, met eigen wagen en paarden, de vader — sinds 1694 heemraad van de Zeeburg en Diemerdijk (zie verhaal #8) en hier met "heer" aangesproken — als borg die de zaak met de impostmeester regelt. Hoe de scheidslieden uiteindelijk beslisten, staat niet in deze akte.
Hieronder de transcriptie van de akte, in het oorspronkelijke Nederlands, als primaire bron. In de transcriptie staat de naam van de vader in de aanhef als "Vermens", in de ondertekening als "Cornelis Verniers". Bron 171.
Neighbours in the Warmoesstraat: the silk-cloth merchants Van Tongerloo
Laurens Verniers was not the only silk-cloth merchant in this circle. Even before the fall of Antwerp, Thomas van Tongerloo (1522–1591), who came from that city, had settled as a silk-cloth merchant in the Amsterdam Warmoesstraat. He was decidedly wealthy: in the Capitale Impositie of 1585 he was among the hundred highest-assessed citizens of the city (De Clercq). The same tax register also records our stamvader Laurens Verniers, on the east side of the Warmoesstraat (see story #8). The Van Tongerloo family is counted among the important merchant families of Amsterdam around 1600.
His son Cornelis van Tongerloo (1555–1617), born in Antwerp, worked mainly in textiles, but also frequently bought and sold houses and plots of land — in Amsterdam and in Weesp, apparently to speculate (De Clercq). So already around 1600 Amsterdam Mennonite textile merchants were looking towards Weesp. Cornelis's younger brothers traded with Venice; the best known, Abraham van Tongerloo (c. 1569–1623), was the Amsterdam factor of the Venetian nobleman Francesco Morosini and in 1595–1598 was involved in building a very large ship for him.
With the Verniers family Cornelis shared more than the street and the trade. In the Huiskopers conflict around Franeker he was one of the Amsterdam delegates. Between 5 February and 13 May 1590 the Haarlem elders banned a group of brethren: among them Laurens Verniers — and, as the only Amsterdammer, Cornelis van Tongerloo. Together they then signed the letters to Thomas Bintgens in Franeker (Stuve, 2005) (read story #1 →). Later Cornelis was probably a member of the Flemish congregation that from 1608 met in the hidden church at 't Lam on the Singel; in 1609 a son and a son-in-law of his were chosen as deacons there (De Clercq). It was to the deacons of this same Flemish congregation that Pieter Lourens Verniers left his share of his great-aunt Trijntgen's money in 1656 (see story #6).
Here too Vondel is close by. The Van Tongerloo and Van den Vondel families lived next to each other in the Warmoesstraat, at no. 35 and no. 39, and were good acquaintances. When Cornelis's daughter Clara van Tongerloo (1584/85–1640) married Jacob Haesbaert junior in July 1605, the then very young Joost van den Vondel wrote a poem for the couple — the earliest known work of the later poet (De Clercq). Cornelis's stepmother Geertruyt de Vreede remarried in 1606 Guillaume Utenhove, scion of an old Ghent patrician family, who together with his stepson Cornelis had been involved in the Huiskopers conflict as a delegate of the Amsterdam Flemish congregation.
Cornelis's last years were less prosperous. Because Amsterdam had no cloth industry of its own, in 1616 he tried to found an Amsterdam draperie (cloth manufactory), but despite considerable subsidies from the city government the venture failed. He died in March 1617. The town council, aware of the "groten iver, arbeyd ende naerstichheyt" (great zeal, labour and diligence) that Cornelis had shown in promoting this trade for the good of the city, decided to support his heirs and others who had suffered losses with a subsidy (De Clercq).
Around 1600, then, one Amsterdam street housed the Verniers, the Vondels and the Van Tongerloos: Flemish Mennonite refugees, dealers in cloth and silk, bound together by the same religious conflict, the same congregation and — through Vondel's first poem — even by the same wedding verses. And already in that generation the lines ran from the Warmoesstraat to Weesp.
A pattern: families that stay together
What this story shows fits the picture that recurs again and again on this site. Mennonite families in and around Amsterdam married one another, kept living near one another, did business in the same trade, and stood by one another as guardian, witness or heir. In 1582 the stepdaughter of Laurens Verniers married an Anslo; in 1611 an Anslo married a Schouten; in 1636 the next Anslo again married a Schouten, a first cousin of his mother. Around 1600 the Verniers, the Vondels and the Van Tongerloos lived as neighbours in the Warmoesstraat. Vondel himself married Maeyken de Wolff in 1610, from a likewise Mennonite family of silk merchants (Sterck, DBNL). Cloth, faith and marriage held these families together — and, so it seems, brought them together to Weesp.
Brewers among themselves: the Gooyers and the Dels
The network around the Anslos and the Schoutens reached even further into the world of brewers. In Hoorn, around 1550–1600, lived Huybert Gysbertsz Gooyer, brewer and merchant at de drie schuppen. His wife Jannetje Ansemsdr had two sisters in Weesp who were likewise active in the drinks trade there (Zuiderent pedigree, gen. 14). A study of its own is devoted to this family: "Ruim een eeuw nageslacht van Huybert Gysbertsz. Gooyer, een zestiende-eeuwse brouwer" (Gens Nostra 1993) — the same study that also serves as a source for the Weesp Schoutens.
Huybert's daughter Ytje Huybertsdr moved from Hoorn to Weesp in 1594, after her betrothal on 10 September 1594 to Claes Claesz Del. Del was a brewer in Weesp at de sterre met de croon and one of the most powerful men in town: alderman (1604–1619), several times burgomaster (between 1613 and 1633), member of the town council from 1622, orphan master and regent of the orphanage. After Ytje's death in 1624 he remarried Niesje Cornelisdr Schouten — a Weesp Schouten, judging by her patronymic probably a sister of Laurens and Gerrit (Zuiderent pedigree, gen. 13).
And the circle closes: their son Jan Claesz Del (Weesp c. 1611 – Amsterdam 1681), merchant and broker in Amsterdam and active in the Mennonite congregation, married on 12 November 1637 Teuntie Cornelisdr Anslo (c. 1616–1648) — the daughter of Cornelis Anslo and Aeltje Schouten (Zuiderent pedigree, gen. 12). Within a year of Gerbrand Anslo's marriage to Abigael Schouten, his sister thus married the son of a Weesp brewer-burgomaster and a grandson of the Hoorn brewer Gooyer.
The Verniers in the beer trade
A generation later the name Gooyer turns up in our own family tree. Mr. Cornelis Verniers (1652–1719), surgeon, son of Pieter Lourens and from 1694 dike reeve (heemraad) for Weesp (see story #8), married Grietje Pieters de Gooijer (see the family tree). Where Grietje came from, and how she relates to the Hoorn brewing family Gooyer, will be worked out further.
Their son Laurens (Lourens) Verniers, married to Elisabeth Langerbeen, was at the end of the seventeenth century a bierbeschooier at Diemen. With that the Verniers family entered the same beer trade in which the Schoutens, the Dels and the Gooyers had grown great — and the marriage with a De Gooijer is yet another union between the Mennonite families of cloth merchants, surgeons and brewers around Amsterdam and Weesp.
A seized beer delivery at the Diemerbrug, 1700
What this work looked like in practice is shown by a notarial deed of 19 May 1700 (Amsterdam City Archives, 5075 inv. no. 6391). Facing each other are Pieter Aldenhoven, for the current term "impostmeester vande bieren over Amsterdam en Amstelant" — the man who collected the excise on beer — and heer Cornelis Verniers, acting as surety for his son "Laurens Verniers bier beschoijer tot diemen".
Aldenhoven had stopped a consignment of Laurens's: two half-barrels of beer which, according to Cornelis, were to be delivered to a customer in the Diemermeer, the polder near Diemen drained in 1631. The excise master maintained that the beer, together with the beer wagon and two horses, was not only forfeited but that under the "generale placcaet" a fine had to be paid as well. The goods had been seized and were kept at the house of Jan Stoop, innkeeper at the Diemerbrug, until this deed was passed.
Instead of going to court, the parties agreed, with the consent of the bailiff and dike count of Amstelland, to submit the dispute to two arbiters: Mr. Jacob Molengraeff, advocate, and Michiel Cock, notary in Amsterdam. They were to decide "soo wel nae scherpigheijt van reghten als naer reden en billickheijt" — by strict law as well as by reason and fairness. Cornelis chose his address for service at the house of Sijbrant van Bort in the Utrechtsestraat near the Kerkstraat in Amsterdam, and took on the costs of the seizure at Jan Stoop's. The deed was passed at the Diemerbrug, with as witnesses Pieter de Letter, schout (sheriff) of Diemen, and Jacob Schutter, bailiff of the gemeene middelen (public taxes). The deed bears the signature "Cornelis Verniers".
The deed shows how close the family was to the beer trade: the son a bierbeschooier at Diemen, with his own wagon and horses; the father — since 1694 dike reeve of the Zeeburg en Diemerdijk (see story #8) and addressed here as "heer" — as the surety who settles the matter with the excise master. How the arbiters finally decided is not recorded in this deed.
Below is the transcription of the deed, in the original Dutch, as a primary source. In the transcription the father's name appears in the opening as "Vermens" and in the signature as "Cornelis Verniers". Source 171.
Heden den 19 Maij Anno 1700: een segel van den gulde en vier stuij. Compareerden voor mij Joannes van Gonis openb. nots. bij den heron van hollandt geadmitteert binnen Amsterdam en Amsteland resideerende int bijwesen vande naegenoemde getuijgen No. 58 Sr. Pieter Aldenhoven als impostmeester vande bieren over Amsterdam, en Amstelant van desen lopende termijn ter eenre ende heer cornelis Vermens als instaende en caveren voor sijn soon Laurens Verniers bier beschoijer tot diemen ter andere seijde, te kennen gevende de wijl door den eersten is comparant was aengehaelt des tweede comparants soon haegh harmen die roots in gijselingh was genomen op het passeren desen ontslagen wert met twee halff vaeten bier die bestelt soude moeten werden naer het seggen vanden tweeden Comparant inde diemermeer, ende dewijl door den eersten comparant gesustineert wort deselve 2 vaeten met bier¬ wagen en twee paerden niet alleenigh vercomt te sijn maer daer en boven ingevolge van het generale placcaete particulier ordonnere in een boote daertoe geemaneert gebonden was wagen te betaelen, soo sij comparanten met goetvinden en bewilligingh vande wel Eedele hoor Jacob Haringhael baljon en dijkgraeff van Amstelandt St. gecontreert der¬ dragen en overeengekomen, om die saecken in disput sijnde te submitteeren en verblijven aen de heer en meester Jacob Molengraeff advocaet, en Mighiel Cock nots. binnen dese stadt van Amsterdam, omme de voorgemelde saecke die tusschen hem comparanten openstaende was te terminderen en decideeren, sodanigh en indier wegen als haer Ed: goedt duncken en raetsaem sullen oirdeelen te behooren soo wel nae scherpigheijt van reghten als naer reden en billickheijt, waer aen deselve hooren Arbiters met comparante heeffect vande Comp gelimiteert sullen sijn, en om dat de ^ opte volgens uijt spraeke hier op te doen sullen gestant houden, soo kieft den tweeden comparant sijn domicilium citandi ten huijse van Sijbrant van bort op de uijtreghse straet bijde kerckstraet binen Amsterdam alwaer ook alle citatien die daer gedaen sullen worden, moeten gebonden werden als off deselve aen sijn persoon geschiet waeren beloovende ook weders de comparanten dat de voorgemelde arbieters der te sullen mogen procederen bij de haalt, en voor de derdemael naer dat behoorlijcke sitatie door den gereghts boode gedaen sijnde en niet compareeren op de stucken en documenten vande compareerende partije reght en uijtspraeck sal werden gedaen, en dat alles onder 41 willige condemnatie vande Edelen mogende heeren gecommitteerde reeder van haer Eedele groot mogende de heeren staeten van holland ende westvrieslandt, constitueerde de eerste comparant de voor Joan de hertogh, ende de tweede comparant scharenburgh beijde selve procureurs voor de hoedel mogen de hooren gecommitteerde roeden, den een omme de condemnatie op dese compromisse ende de op te volgens uijtsprake te versoecken, ende den anderen daer in te competeren mits dat den tweeden comparant sal betalen de kosten, die roots ter huijse van Jan Stoop hospes aende diemer burgh in't huijs te rust ge¬ vallen sijn en dit alles onder affstant van relieff, reductie, en alle an¬ benetie die de raten in regten beker die den comparant te samen en ider int bijsonder te laeten moghte komen onder verbandt en submissie als naer reghter dat aldus passeerde Caende die meer burgh int bij wesen vande heer Pieter de Letter schout tot dien en Jacob schutter deurwr. vande gemeene middelen als getuygen hier overgestaen was geteekent Aldenhoven Cornelis Verniers De Letter schout Schutter Deurwr. Quod attestor Jochems
Vondel, langs vier wegen
Tel alles bij elkaar op en Vondel blijkt langs minstens vier wegen met dit netwerk verbonden: als buurman in de Warmoesstraat, waar hij in 1605 zijn vroegst bekende gedicht schreef voor de bruiloft van Clara van Tongerloo, uit de familie die in 1590 samen met Laurens Verniers in de ban werd gedaan; als diaken van de Waterlandse gemeente waar Cornelis Anslo leraar was; als dichter van het kwatrijn op Cornelis en van het bruiloftsvers voor Gerbrand Anslo en Abigael Schouten; en via familie, als de "nicht van Vondel" met wie Laurens Schouten, de rijkste brouwer van Weesp, getrouwd was. Een akte waarin Vondel en de Verniersen samen voorkomen, is niet bekend — maar zij bewogen zich in dezelfde kring.
Vondel, by four roads
Add it all up and Vondel turns out to be connected to this network by at least four roads: as a neighbour in the Warmoesstraat, where in 1605 he wrote his earliest known poem for the wedding of Clara van Tongerloo, from the family that was banned together with Laurens Verniers in 1590; as deacon of the Waterland congregation where Cornelis Anslo was teacher; as the poet of the quatrain on Cornelis and of the wedding verse for Gerbrand Anslo and Abigael Schouten; and through family, as the "nicht of Vondel" whom Laurens Schouten, the richest brewer in Weesp, had married. No deed is known in which Vondel and the Verniers appear together — but they moved in the same circle.