Op 23 oktober 1625, 's middags rond drie uur, verschenen twee Amsterdammers voor notaris Jacob Meerhout: Claes Claesz Anslo, lakenkoper, en zijn vrouw Geert Jansdr. — beter bekend in mijn eigen aantekeningen als Giert(e) Jans, de stiefdochter van stamvader Laurens Verniers. Samen lieten zij hun testament opstellen (Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249). Het is een van de belangrijkste documenten over onze familie: het legt zwart op wit vast wie Grietge Joosten was, wie haar kinderen waren, hoe de familie aan de Anslo's verbonden raakte — én het bevat de eerste sporen van wat later het Anslohofje zou worden, dat nog steeds bestaat in Amsterdam.
De sleutelzin: Laurens als stiefvader
Ergens halverwege de akte, tussen de vele legaten door, staat de zin die voor onze stamboom het meeste gewicht in de schaal legt. Het echtpaar legateert een jaarlijkse lijfrente — zestig Carolusgulden per jaar, hun leven lang durende — aan Pieter Verniers, zoon van Lourens Verniers, "des testatersse stieffvader": de stiefvader van de testatrice, dus van Geert Jansdr. zelf. Dat is de expliciete, notariële bevestiging van iets wat tot nu toe alleen via de dochter Giert(e) Jans kon worden afgeleid: Laurens Verniers was de stiefvader van Geert Jansdr., en Pieter Verniers — een van Laurens' kinderen uit een eerder huwelijk — was dus haar stiefbroer.
Dat spoort met wat al bekend was uit het huwelijksdossier van Giert(e) Jans zelf: zij was de dochter van Grietge Joosten uit haar eerste huwelijk met een zekere Jan, en Grietge trouwde pas daarna met Laurens — als zijn tweede of derde vrouw. Laurens had dus al eerder kinderen: Abraham, Pieter en Trijntje.
Wie waren Claes Claesz Anslo en Geert Jansdr.?
Claes Claesz Anslo dreef handel in laken, net als zijn schoonvader Laurens dat had gedaan — een vak dat, zoals eerder al bleek, opvallend vaak voorkwam onder Vlaamse doopsgezinde vluchtelingenfamilies. Het echtpaar had bij het opstellen van het testament vijf zonen: Claes, Joost, Cornelis en Reijer, die alle vier al getrouwd waren, en de jongste, Jan Claesz, die op dat moment nog ongehuwd was en met zijn vader in de lakenhandel meewerkte. Het testament verwijst ook naar hun huwelijkse voorwaarden, opgesteld op 19 december 1582 voor notaris Frans Bruijningh — wat betekent dat Claes en Geert dat jaar, of kort daarvoor, moeten zijn getrouwd, iets eerder dan de datum "rond december 1582" die tot nu toe bekend was.
Wat er precies verdeeld werd
Het testament is uitgebreid en typisch voor een welvarend Amsterdams koopmansgezin uit de Gouden Eeuw: het regelt niet alleen wie wat erft, maar ook hoe de lakenhandel moet worden voortgezet, wat er met het personeel en de armen van de gemeente gebeurt, en — opvallend genoeg — hoe een deel van het bezit permanent aan liefdadigheid wordt toegewezen. Om het overzichtelijk te houden, zet ik de belangrijkste bepalingen en bedragen hieronder op een rij. Bedragen zijn in Carolusguldens (car. gulden), de gangbare munt van die tijd; de omrekening naar hedendaagse euro's is een ruwe indicatie op basis van historische koopkrachtvergelijkingen (methode IISG), bedoeld om een gevoel van schaal te geven — geen exacte omrekenkoers.
On 23 October 1625, around three in the afternoon, two Amsterdammers appeared before notary Jacob Meerhout: Claes Claesz Anslo, a cloth merchant, and his wife Geert Jansdr. — better known in my own notes as Giert(e) Jans, the stepdaughter of stamvader Laurens Verniers. Together they had their will drawn up (Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249). It is one of the most important documents about our family: it records in black and white who Grietge Joosten was, who her children were, how the family became connected to the Anslos — and it contains the first traces of what would later become the Anslo almshouse, which still exists in Amsterdam today.
The key sentence: Laurens as stepfather
Somewhere halfway through the deed, among the many bequests, stands the sentence that carries the most weight for our family tree. The couple bequeathed an annual life annuity — sixty Carolus guilders a year, for the rest of his life — to Pieter Verniers, son of Lourens Verniers, "des testatersse stieffvader": the stepfather of the testatrix, that is, of Geert Jansdr. herself. That is the explicit, notarial confirmation of something that until now could only be inferred through the daughter Giert(e) Jans: Laurens Verniers was the stepfather of Geert Jansdr., and Pieter Verniers — one of Laurens' children from an earlier marriage — was thus her stepbrother.
That agrees with what was already known from Giert(e) Jans's own marriage record: she was the daughter of Grietge Joosten from her first marriage to a certain Jan, and Grietge only afterwards married Laurens — as his second or third wife. Laurens therefore already had children: Abraham, Pieter and Trijntje.
Who were Claes Claesz Anslo and Geert Jansdr.?
Claes Claesz Anslo traded in cloth, just as his father-in-law Laurens had done — a trade that, as shown earlier, occurred remarkably often among Flemish Mennonite refugee families. At the time the will was drawn up, the couple had five sons: Claes, Joost, Cornelis and Reijer, all four already married, and the youngest, Jan Claesz, who was still unmarried at that point and worked with his father in the cloth trade. The will also refers to their marriage settlement, drawn up on 19 December 1582 before notary Frans Bruijningh — meaning Claes and Geert must have married that year, or shortly before, somewhat earlier than the "around December 1582" date known until now.
What exactly was divided
The will is extensive and typical of a prosperous Amsterdam merchant family of the Golden Age: it settles not only who inherits what, but also how the cloth trade is to be continued, what happens to the staff and the poor of the congregation, and — remarkably — how part of the estate is permanently assigned to charity. To keep things clear, I set out the main provisions and amounts below. Amounts are in Carolus guilders (car. gulden), the common currency of the time; the conversion to present-day euros is a rough indication based on historical purchasing-power comparisons (IISG method), meant to give a sense of scale — not an exact exchange rate.
| Aan wieTo whom |
WatWhat |
Bedrag (car. gulden)Amount (car. guilders) |
Indicatie in euro's nuIndication in today's euros |
| Claes, Joost, Cornelis & Reijer Claesz (elk)(each) |
reeds meegegeven huwelijksgoedwedding gift already given |
10.700 |
± €135.000 |
| Jan Claesz (jongste zoon)(youngest son) |
gelijk huwelijksgoed, vooruit toegezegdequal wedding gift, promised in advance |
10.700 |
± €135.000 |
| Jan Claesz |
huis "het Gulden Schilt" met achterhuis, Nieuwendijkhouse "het Gulden Schilt" with rear house, Nieuwendijk |
9.000 |
± €115.000 |
| Reijer Claesz |
huis genaamd "het Aronsmaes" (lezing onzeker)house called "het Aronsmaes" (reading uncertain) |
7.000 |
± €90.000 |
| Cornelis Claesz |
huis op de Nieuwendijk (naam onzeker)house on the Nieuwendijk (name uncertain) |
5.000 |
± €65.000 |
| Joost Claesz |
huis (naam onzeker, mogelijk "den Vos van Jeruzalem")house (name uncertain, possibly "den Vos van Jeruzalem") |
2.500 |
± €32.000 |
| Claes Claesz (jr.)(jr.) |
huis "het Wapen van Hindeloopen" |
2.000 |
± €26.000 |
| Alle vijf kinderen (of hun afstammelingen)All five children (or their descendants) |
jaarlijkse lijfrente als vangnet bij armoedeannual annuity as a safety net against poverty |
500 / jaaryear |
± €6.500 / jaaryear |
| Pieter Verniers (zoon van Laurens, stiefzwager)(son of Laurens, step-brother-in-law) |
jaarlijkse lijfrente, levenslangannual annuity, for life |
60 / jaaryear |
± €780 / jaaryear |
| Jannitgen Jans (nicht/"susterlingh" van de testatrice)(niece/"susterlingh" of the testatrix) |
woonrecht levenslang + jaargeldright of residence for life + annuity |
20 / jaaryear |
± €260 / jaaryear |
| Armen van hun (doopsgezinde) gemeenteThe poor of their (Mennonite) congregation |
eenmalige giftone-off gift |
1.000 |
± €13.000 |
| Huiszittenmeesters, Oude Mannen- en Vrouwenhuis, Weeshuis, Gasthuis (elk)Poor relief overseers, Old Men's and Women's Home, Orphanage, Hospital (each) |
eenmalige giftone-off gift |
200 |
± €2.600 |
Alleen al de vier reeds getrouwde zonen kregen samen bijna 43.000 gulden aan huwelijksgoed mee, plus nog eens 10.700 gulden toegezegd aan Jan Claesz — opgeteld zo'n 53.500 gulden, oftewel omgerekend in de orde van €650.000 à €700.000 aan puur huwelijksgoed voor vijf zonen. Dat plaatst de familie Anslo stevig in de gegoede Amsterdamse koopmansstand.
Het huis aan de Egelantiersstraat — de kiem van het hofje
Het meest bijzondere onderdeel van het testament betreft een gebouw dat Claes en Geert zelf hadden laten timmeren aan het eind van hun tuin in de Egelantierstraat: drie kleine achterhuisjes met drie kamers, plus twee voorhuisjes, bereikbaar via een steegje, met een aangekocht erfje en bleekveldje ernaast (gekocht van ene Jan Symonszoon). Het echtpaar bepaalde dat dit hele complex, na beider overlijden, ten goede zou komen aan de armen van hun gemeente — te beheren door hun kinderen of afstammelingen. De drie achterhuisjes zouden gratis ("om niet") bewoond worden door de armen; de twee voorhuisjes zouden verhuurd worden, waarbij de huurinkomsten naar onderhoud en reparatie van het huis en naar de bewonende armen zouden gaan.
Dat is, in de kern, precies het model van een hofje: woningen voor de armen, gefinancierd uit een klein stukje verhuurd bezit, in stand gehouden door de familie. Het staat inmiddels ook onafhankelijk bevestigd: Anslo's hofje, aan de 1ste Egelantiersdwarsstraat, werd gesticht door "de rijke lakenkoper Claes Claesz. en zijn echtgenote Griet Jans" (JordaanWeb). Andere bronnen noemen daarbij een testament van 30 maart 1616 als stichtingsdatum — mogelijk een eerdere versie, die vervangen werd door het testament van 1625 dat hier wordt besproken en dat uitdrukkelijk alle voorgaande testamenten herroept.
Op het grondstuk werden in totaal vijf huisjes getimmerd, bereikbaar via een gang — precies de drie achterhuisjes en twee voorhuisjes uit de tekst hierboven. Twee ervan werden verhuurd; door telkens twee vrouwen op één kamer te plaatsen vonden er in totaal een stuk of twaalf behoeftige vrouwen onderdak, bij voorkeur doopsgezinden uit de Waterlandse gemeente die bij 't Lam vergaderden. Mannen plaatsen was volgens de stichtingsakte niet verboden, maar dat leverde al snel problemen op, waarna het werd afgeschaft (JordaanWeb).
Claes Claesz overleed in 1632, zijn weduwe Geert Jansdr. in 1638 — wat overeenkomt met wat al over haar bekend was. Hun vijf zonen, als erfgenamen, moesten het hofje ongedeeld laten en gezamenlijk het beheer voeren, een regeling die generaties standhield, ook toen de naam Anslo zelf uit de lijst van regenten verdween en er via de vrouwelijke lijn regenten uit de familie Van der Vliet bijkwamen. De naam "Anslo" zelf duikt overigens pas in 1626 op, in een testament — er is gespeculeerd over een verband met de oude naam van Oslo, maar een bewijsbare connectie van lakenkoper Claes Claesz met die stad ontbreekt; vermoedelijk is de naam gewoon zelfgekozen (JordaanWeb).
In de achttiende en negentiende eeuw werd het hofje verder uitgebreid, van de Egelantierstraat tot aan de Tuinstraat; de eerste huisjes werden in 1834 herbouwd. Kapitaal was er genoeg, maar onderhoud en vochtproblemen liepen op, en rond de eeuwwisseling voldeden de huisjes niet meer aan de woonnormen van die tijd. De bewoonsters werden elders ondergebracht en na 1945 stond het hofje leeg, tot Geurt Brinkgreve van stichting Diogenes het rond 1969 nieuw leven inblies. Door het aangrenzende Zwaardvegershofje erbij te trekken, bestaat het vandaag verder onder de naam Claes Claesz. hofje (JordaanWeb) (Amsterdamse Binnenstad).
Wederzijds vruchtgebruik, de lakenhandel, en wat er gebeurt bij hertrouwen
Zoals gebruikelijk bij zulke akten, benoemden Claes en Geert elkaar over en weer tot erfgenaam: de langstlevende zou bij het overlijden van de eerste al het overige bezit — roerend en onroerend — erven en mogen gebruiken, zijn of haar leven lang, of tot een eventueel hertrouwen. Bij hertrouwen moest de langstlevende de helft van de erfgoederen aan de kinderen overdragen. Huisraad, zilverwerk, kleding en scheepsparten (aandelen in schepen) gingen sowieso volledig naar de langstlevende, als een zogeheten "preciput" buiten de gewone boedelverdeling om.
Voor de jongste zoon Jan Claesz, die met zijn ouders meewerkte in de lakenneringe, was een aparte regeling getroffen: na het overlijden van beide ouders mocht hij de helft van de winkel en de nering overnemen tegen taxatiewaarde — tenzij hij die al bij leven van zijn ouders had overgenomen. Wie als kind tegen dit testament zou ingaan, kreeg volgens de akte niet meer dan het wettelijk verplichte legitieme deel, en niets van wat er verder werd toegekend.
Het testament werd gepasseerd ten huize van de notaris, in aanwezigheid van getuigen Jacob Ceuwoutsz Vertest en Meynert Martensz Rouwer, en ondertekend door "Claes Claesz Anslo" en "Gurt Jaens".
De originele scans
Alle zeven bladzijden van het testament, folio 1 tot en met 7, uit het notarieel protocol van Jacob Meerhout — zie de volledige akte in de naslagwerk onder Bron 43.
The four already-married sons alone together received nearly 43,000 guilders in wedding gifts, plus another 10,700 guilders promised to Jan Claesz — a total of some 53,500 guilders, or roughly €650,000 to €700,000 in today's terms for pure wedding gifts to five sons. That places the Anslo family firmly among the well-to-do Amsterdam merchant class.
The house on the Egelantiersstraat — the seed of the almshouse
The most remarkable part of the will concerns a building that Claes and Geert had had built themselves at the end of their garden on the Egelantierstraat: three small rear houses with three rooms, plus two front houses, reached via an alley, with a purchased plot and bleaching-field beside it (bought from a certain Jan Symonszoon). The couple stipulated that this entire complex, after both their deaths, should benefit the poor of their congregation — to be managed by their children or descendants. The three rear houses were to be occupied free of charge ("om niet") by the poor; the two front houses were to be rented out, with the rental income going towards the upkeep and repair of the property and towards the poor living there.
That is, at its core, exactly the model of a hofje (almshouse): dwellings for the poor, financed from a small piece of rented-out property, maintained by the family. This has since also been independently confirmed: Anslo's hofje, on the 1st Egelantiersdwarsstraat, was founded by "the wealthy cloth merchant Claes Claesz. and his wife Griet Jans" (JordaanWeb). Other sources give a will of 30 March 1616 as the founding date — possibly an earlier version, later replaced by the 1625 will discussed here, which explicitly revokes all previous wills.
A total of five small houses were built on the plot, reached via a passage — exactly the three rear houses and two front houses from the text above. Two of them were rented out; by placing two women in each room, a total of around a dozen needy women found shelter there, preferably Mennonites from the Waterland congregation who gathered at 't Lam. Placing men was not forbidden under the founding deed, but this soon caused problems, after which it was discontinued (JordaanWeb).
Claes Claesz died in 1632, his widow Geert Jansdr. in 1638 — which matches what was already known about her. Their five sons, as heirs, had to keep the almshouse undivided and manage it jointly, an arrangement that held for generations, even after the Anslo name itself disappeared from the list of regents and regents from the Van der Vliet family joined through the female line. The name "Anslo" itself, incidentally, only appears in 1626, in a will — there has been speculation about a link with the old name for Oslo, but a demonstrable connection of cloth merchant Claes Claesz with that city is lacking; presumably the name was simply chosen freely (JordaanWeb).
In the eighteenth and nineteenth centuries the almshouse was further extended, from the Egelantierstraat to the Tuinstraat; the first houses were rebuilt in 1834. There was capital enough, but maintenance and damp problems mounted, and around the turn of the century the houses no longer met the housing standards of the day. The residents were housed elsewhere and after 1945 the almshouse stood empty, until Geurt Brinkgreve of the Diogenes foundation revived it around 1969. By absorbing the adjoining Zwaardvegershofje, it exists today under the name Claes Claesz. hofje (JordaanWeb) (Amsterdamse Binnenstad).
Mutual usufruct, the cloth trade, and what happens on remarriage
As was customary in such deeds, Claes and Geert named each other as heirs: the survivor would, on the death of the first, inherit and be allowed to use all the remaining property — movable and immovable — for the rest of his or her life, or until any remarriage. On remarriage the survivor had to transfer half of the inherited property to the children. Household goods, silverware, clothing and ship shares went entirely to the survivor regardless, as a so-called "preciput" outside the ordinary division of the estate.
For the youngest son Jan Claesz, who worked with his parents in the cloth trade, a separate arrangement was made: after both parents' deaths he could take over half of the shop and the business at appraised value — unless he had already taken it over during his parents' lifetime. According to the deed, any child who opposed this will would receive no more than the legally required forced share, and nothing of what was otherwise granted.
The will was executed at the notary's house, in the presence of witnesses Jacob Ceuwoutsz Vertest and Meynert Martensz Rouwer, and signed by "Claes Claesz Anslo" and "Gurt Jaens".
The original scans
All seven pages of the will, folios 1 through 7, from the notarial protocol of Jacob Meerhout — see the full deed in the Reference under Source 43.
fol. 1 — begin van het testament ("In den name des Heere, Amen...") — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 1 — beginning of the will ("In den name des Heere, Amen...") — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
fol. 2 — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 2 — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
fol. 3 — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 3 — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
fol. 4 — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 4 — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
fol. 5 — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 5 — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
fol. 6 — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 6 — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
fol. 7 — slot, ondertekening door Claes Claesz Anslo en Gurt Jaens, en getuigen — Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inv.nr. 249fol. 7 — conclusion, signed by Claes Claesz Anslo and Gurt Jaens, and witnesses — Amsterdam City Archives, archive 5075, inv. no. 249
De transcriptie
Hieronder de volledige transcriptie van het testament, zoals via Transkribus overgezet uit het origineel in het Stadsarchief Amsterdam (archief 5075, inv.nr. 249), met de scans hierboven als referentie. Spelling en interpunctie zijn zoveel mogelijk overgenomen zoals in het origineel; onzekere lezingen zijn zo gelaten.
The transcription
Below is the full transcription of the will, transferred via Transkribus from the original in the Amsterdam City Archives (archive 5075, inv. no. 249), with the scans above as reference. It is shown here in the original seventeenth-century Dutch, as a primary source; spelling and punctuation have been kept as close to the original as possible, and uncertain readings are marked as such.
In den name des Heeren, Amen. Inden jare vander geboorte des selffs ons Heeren ende Salichmaeckers Jesu Christi duijsent sesse hondert ende vijffentwintich, inde achtste indictie, opten drieentwintichsten octobris, namiddach de clocke omtrent drie uren, compareerde voor mij Jacob Meerhout, openbaer notaris tot Amstelredamme residerende, bij den Hove van Hollandt ende der selver stede geadmitteert, ter presentie vanden ondergeschreven getuigen, d'eersame Claes Claesz Anslo, laeckencooper, ende Geert Jansdr., echte luijden binnen deser stede, mij notaris bekend, beide gaende ende staende, ende heurluijder uijtspraecke, memorie ende verstant wel machtich, ende volcommelick gebruijckende, alst uijterlick scheen ende bleeck; de welcke, overwegende des menschen crancheit ende broosheit, de seeckerheit des doots ende de onseeckere ure vandien, begeerden deselve onseeckere ure voor te commen, ende hebben mits desen, inder beste forme, wege ende maniere als sulcx doenlick is, ende elck van hen sulcx opt vaste ende crachtichste doen conde ende mochte, met vrijen onbedwongen wille (soo zij seijden), gemaect heurluijder testament, ende gedisponeert over heure uijterste ende laetste wille, in manieren naervolgende.
Eerst Godt Almachtich heure zielen bevelende, ende heure lichamen, vander ziele verscheijden zijnde, der Christelicker begraeffenisse; hebben voorts de voorn. testateurs gerevoceert, gecasseert, doot ende te niete gedaen, revoceren, casseren, dooden ende doen te niete bij desen, alle voorgaende testamenten, codicillen ende andere dispositien van uijterste wille bij hen te samen, oft elck int particulier, voor date deses eenichsints gemaect ende gepasseert, niet willende dat deselve, oft eenige vandien, voorder cracht meer hebben ofte effect sorteren sullen dan dese alleen; doch belangende heure huwelicxe voorwaerden, ter oorsake van heurluijder huwelijck aengegaen ende gemaect, in date den negentienden decembris vijftienhondert tweeentachtich, gepasseert voor Fran(s) Bruijningh, in zijn leven notaris publijcx, ende seeckere getuijgen binnen deser stede, deselve hebben zij testateuren geapprobeert, voor soo veel die dese niet en contrarieren, ende voorder niet.
Ende commende de testateuren van nieuws ter dispositie van heure tijtelicke goederen, hen bij Godt Almachtich verleent, verclaerden dat zij heure vier gehuwde soonen, met namen Claes, Joost, Cornelis ende Reijer, in huwelicke hebben mede gegeven, elck de somme van thien duijsent sevenhondert Carolus gulden, ende dat zij oock heuren jongsten soon Jan Claesz gelijcke somme van thien duijsent sevenhondert gulden, voor zijn huwelicxgoet, in handen hebben gegeven, die hij participeert in henluijden testateuren laeckeneringe. Toevoegende zij testateuren, dat het voorsz. is, heure voornoemde kinderen respectivelick voor ende in plaetse van heure legitime portie, ende deselve daer toe instituerende tot heure erffgenamen, begerende dat zij hen daermede sullen houden gecontenteert, sonder ter saecke vandien iets meer te pretenderen.
Ende voorts alle de goederen, soo roerende als onroerende, die de eerst afflijvige van hen testateuren eenichsins meer met de doot ontruijmen ende naerlaten sal, geene uijtgesondert, hebben zij testateuren d'een d'ander reciproce, over ende weder over, ende den langstlevende van hen beijden geinstitueert ende genomineert, instituerende ende nomineerende bij desen, tot zijn oft heur mede erffgenaem, omme alle deselve goederen, bij den langstlevende, strax naer t'afsterven vanden eerst afflijvigen, als zijn oft heur erffgoet aenvaert, ende daermede gedaen te werden naer zijn believen, deselven leven lanck geduijrende, ofte tot wederhuwens toe, ende langer niet, sonder gehouden te wesen aen iemant eenige reeckeninge oft opening vanden boedel te doen, ofte cautie te stellen in eeniger manieren, niettegenstaende eenige ordonnantien ter contrarie dicterende, die zij testateuren mits desen derogeren ende te niete doen. Doch soo gebeurde dat de langstlevende van hen testateuren weder quame te herhuwen ende van staet te veranderen, sal alsdan gehouden wesen, oft soo veel eerder als de selve langstlevende belieft, ten behoeve vande voorsz. kinderen te bewijsen soo veel als de gerechte helft van des houwelicxe goederen bedraecht, mitsgaders oock het nieuwe huijs mettet erve daervoor liggende, alle geduijrende het leven vanden langstlevende, ende langer niet.
Willen ende begeren voorts zij testateuren, dat de voorn. Jan Claesz, heure jongste soon, soo hij dat begeert, naer heurluijder beider overlijden, in mindering vande voorsz. erffenisse sal mogen behouden het voorsz. huijs, genaemt Het Gulden Schilt, mettet achterhuijs, voor de somme van negen duijsent Carolus gulden; dat oock alsdan heure soon Reijer Claesz sal mogen behouden, op affcortinge van zijn erffenisse, het huijs genaemt Het Aronsmaes [lezing onzeker], voor de somme van sevenduijsent Carolus gulden; item heure soon Cornelis Claesz sal, in mindering van zijn erffenisse, mogen aennemen het huijs [naam onzeker], staende opden Nieuwendijck, voor de somme van vijffduijsent Carolus gulden; item heure soon Claes Claesz het huijs genaemt Het Wapen van Hindeloopen, voor de somme van tweeduijsent Carolus gulden; ende heure soon Joost Claesz het huijs [naam onzeker, mogelijk Den Vos van Jeruzalem], voor de somme van vijffentwintichhondert Carolus gulden.
Item leggeren zij testateuren, d'een d'ander reciproce ende over ende weder over, ende den langstlevende van hen beijden, tot een prelegaet, alle heurluijder meubelen ende huijsraet, silverwerck, ende alles wat voor huijsraet gereeckent wert, mede de klederen van linnen ende wollen, ten lijve vanden langstlevende behorende, mitsgaders alle de parten scheeps inden gemeenen boedel synde; gelijck oock zij testateuren malcanderen prelegateren het besit ende gebruijck vande huijsinge genaemt Het Gulden Schilt, staende opden Nieuwendijck, mettet achterhuijs daeraen gelegen.
Voorts is heurluijder uijterste wille ende expresse begeerte, dat naer t'overlijden vanden langstlevende van hen beijden, uijt heure naergelaten goederen jaerlicx vast sal wesen ende moeten blijven, soo lange iemant van heure voorsz. kinderen in leven is, ende langer niet, de somme van vijffhondert Carolus gulden jaerlicx, aende selve goede brieven, alsdan inden boedel wesende, oft bij gebreecke vandien uijt het gereetste te beleggen, welcke renten noch het capitael niet en sullen mogen belast werden met eenige schulden, noch en sal t'selve voor schulden oft swaricheden bij heure voorsz. kinderen alrede gemaect, oft nog te maecken, executabel wesen, in eeniger manieren. Ende sal de voorsz. vijffhondert gulden jaerlicx bij heure vijff kinderen int gemeen genoten werden, ten waer een oft meer vande selve kinderen door quade fortuijn oft misbruijck achteruijt ende int verloop geraeckte, sulcx dat iemants goederen oft middelen minder werden als vijffduijsent gulden capitael; in welcke gevalle deselve vijffhondert gulden jaerlicx alleen genoten sullen werden bij sodanigh kindt oft kinderen, totdat deselve weder prospereren ende capitael crijgen van achtduijsent gulden, ende langer niet.
Des is heurluijder uijterste wille ende begeerte, terwijl Jannitgen Jansdr., des testateurs susterlingh, woonende is in een vande voorsz. huijskens, dat zij daerinne sal mogen blijven ende dat blijven bewonen, soo zij dat tegenwoordich gebruijckt, heur leven lanck geduijrende ende langer niet; ende legaterende zij testateuren daerbeneffens noch aende voorn. Jannitgen Jansdr. de somme van twintich gulden jaerlicx, mede heur leven lanck geduijrende. Ende willen oock dat Anna Jansdr. de camertgens, soo zij die nu bewoont, heur leven lanck ende langer niet sal gebruijcken.
Ende alsoo zij testateuren seeckere penningen verstreckt hebben aen Joost Sybrantsz ende Balichgen Claesdr., begeren zij testateuren expresselick dat, naer heur overlijden, heure kinderen daer niet van sullen mogen manen, alleenlick die driehondert gulden daer een besegelde brieff af is, ende oock de besegelde brieff tot onderpant gestelt van Jan Oly, behoudelick dat de voorn. Balichgen de jaerlicxe renten vanden brieff van Jan Oly sal genieten, heur leven lanck geduijrende, ende langer niet, indien deselve brieff niet en wert affgelost; maer naer de afflossinge sal zij daervan renten genieten.
Legaterende noch zij testateuren aen Pieter Verniers, de soone van Lourens Verniers, des testatersse stieffvader, de somme van sestich Carolus gulden jaerlicx, heur leven lanck geduijrende, ende langer niet. Legateren mede zij testateuren, omme naer t'overlijden van elck van hen, telckenmale uijt heure respective persoonen goederen uijtgekeert te werden aende armen van heure gemeente, de somme van thienhondert Carolus gulden eens; item aende huijszittenmeesters, opsienders vande armen die voorde huijsen plachten te gaen, ten behoeve vande selve armen; het Oude Mannen- ende Vrouwengasthuijs; het Weeshuijs; ende het Gasthuijs binnen deser stede: elck tweehondert Carolus gulden eens, naer ieders overlijden.
Voorts is heurluijder uijterste wille ende begeerte, dewijl heure jongste soon Jan Claesz nevens hen is getreden inde laeckeneringe, dat hij, naer t'overlijden van hen beijden, de helft vande winckel ende neeringe sal mogen aennemen, tot taxatie van goede mannen, ten ware hij de voorsz. winckel bij heurluijder beider leven aengecomen hadde. Ende willen ende begeren zij testateuren, indien de voorn. heure soon Jan Claesz ten tijde van t'overlijden vande langstlevende van hen testateuren noch niet tot zijn mondige jaren oft staet des huwelijcx gecomen ware, dat hij niettemin zijne goederen selfs sal mogen regeren ende administreren soo hij te raden vinden sal, sonder dat den selven oft zijn goet de weeskamer eenichsints subject sal wesen; sulcx wel expresselick verbiedende bij desen.
Voorts is heurluijder uijterste wille ende begeerte, indien gebeurde dat eenige van heure kinderen, oft iemant van harentwege, tegen dese heure testamentaire dispositie, hetzij in rechte, hetzij daerbuijten, in eeniger manieren opposeren soude, dat sodanige opposant, oft van wiens wegen sulcx soude mogen werden gedaen, uijt heure goederen niet meer sal genieten dan des selfs naeckte ende blote legitime portie, ende voorts, ende verder, met zij testateuren den selven, in sulcken gevalle, nu voor alsdan ende dan voor alsnu, institueren bij desen, sullende het resterende commen ten profijte vande langstlevende.
Eijntelick is heurluijder expresse begeerte, dat indien zij luijden namaels tesamen, oft elck int particulier, sonder noch iets te maecken oft disponeren, oft hier in te vermeerderen oft te verminderen, ende dat onder heure handen, dat t'selve van alsulcker cracht ende waerden gehouden ende in alles achtervolght sal werden, als oft in desen testamente geïnsereert ende uijtgedruckt ware.
Alle t'welck zij seijden ende verclaerden de voorn. testateuren te wesen heurluijder testament, uijterste ende laetste wille, begerende dat t'selve, als sulcx, ofte ten minsten als codicille, gifte ter cause des doots onder de levenden, oft andersins, soo eens ieders testament ende uijterste wille alder beste ende crachtichste plaetse houden mach, volcomen voortganck hebben ende effect sorteren sal, al waert dat alle solemniteiten naer rechte gerequireert in desen niet en waren geobserveert; versoeckende voorts aen mij, notario voornoemt, hiervan wettelick te stipuleren, ende hen luijden hiervan gemaect ende gelevert te werden een oft meer gelijckluijdende openbare instrumenten, inder besten forme. Gedaen binnen der voorsz. stede van Amstelredamme, ten huijse mijns notaris, ter presentie van Jacob Ceuwoutsz Vertest ende Meynert Martensz Rouwer, getuijgen hiertoe versocht.
(ondertekend:) Claes Claesz Anslo — Gurt Jaens — Meynert Martensz Rouwer
Enkele huisnamen en straatnamen in de akte zijn moeilijk leesbaar in het origineel (met name bij de huizen van Reijer, Cornelis en Joost Claesz) en zijn hierboven als "lezing onzeker" of "naam onzeker" gemarkeerd; deze verdienen nader onderzoek in de originele scan. Lees ook: Laurens Verniers: het leven van onze stamvader →
Some house and street names in the deed are difficult to read in the original (particularly for the houses of Reijer, Cornelis and Joost Claesz) and are marked above as "reading uncertain" or "name uncertain"; these deserve further study of the original scan. Also read: Laurens Verniers: the life of our stamvader →