Laurens Verniers is bij zoveel betrokken geweest, en reisde zoveel, dat zijn verhaal zich niet in één rechte lijn laat vertellen. Dit verhaal probeert dat toch te doen, zo veel mogelijk chronologisch, met de brieven, twisten, plaatsen en mensen die zijn leven vormden. Het bouwt voort op wat al in Post II op het blog is verteld, en steunt op een groot aantal wetenschappelijke bronnen en archiefstukken — van zestiende-eeuwse brieven en notariële akten tot doopsgezinde geschiedschrijving uit de negentiende en twintigste eeuw, stuk voor stuk terug te vinden in de Bibliotheek.
Het bredere tijdsbeeld: Gent en de opkomst van de Reformatie
Om Laurens' latere lotgevallen te begrijpen, helpt het eerst even in te zoomen op het bredere tijdsbeeld waarin hij opgroeide. Al vroeg in de zestiende eeuw vond de Bijbel zijn weg naar de intellectuele bovenlaag via de humanisten, en ook op de Gentse (1539) en Deinse (1549–1553 en 1566) rederijkersfeesten klonken bijbelse ideeën en kritiek op rooms-katholieke gebruiken zoals aflaten en de sacramenten. Tussen 1538 en 1550 ontstond binnen deze vroege beweging een breuk, waaruit de Doopsgezinden (de latere Mennisten, naar Menno Simons), de Gereformeerden en de Calvinisten voortkwamen — Laurens zelf zou zich bij de eerste stroming aansluiten. In het roerige Wonderjaar 1566 waren het vooral de Calvinisten die in Vlaanderen de plak zwaaiden, met hagenpreken, de Beeldenstorm en de oprichting van eigen kerken en gemeenten. Filips II reageerde door de hertog van Alva te sturen, die de godsdienstopstand met harde hand onderdrukte en de bevolking via de Twintigste Penning liet meebetalen aan de Spaanse troepen — dezelfde Alva die in 1567 ook Laurens in absentia zou verbannen. Bron
Ondanks deze repressie werd Gent tussen 1578 en 1584 een calvinistische stad, en Vlaanderen grotendeels een calvinistisch land — tot de stad in 1584 onder de troepen van Alexander Farnese viel. Vlaamse calvinisten, en met hen doopsgezinden zoals de Verniers, verlieten massaal het land, richting Engeland, de Nederlanden en Duitsland, en droegen zo mee bij aan de economische bloei van de Gouden Eeuw. In Vlaanderen zelf werd het katholicisme na de val van Gent hersteld, mede door de Contrareformatie onder impuls van de jezuïeten. Bron
Verwarring in de bronnen: Vernier of Vermeren?
Eerst even wie hier eigenlijk aan het woord is. Veel van wat over Laurens bekend is, komt uit het werk van K. Vos, die in zijn boek "De Doopsgezinden te Antwerpen in de zestiende eeuw" uitgebreid onderzoek deed naar de vroege doopsgezinde gemeenschap in Antwerpen en haar leraren en oudsten — de bron is terug te vinden in het Naslagwerk. Vos schrijft daarin zelf dat de namen uit deze periode voortdurend door elkaar lopen, en dat hij aanvankelijk twee verschillende oudsten voor één persoon had aangezien.
Zijn conclusie, na lang puzzelen: de Franeker leraar die door Alva werd verbannen en in het officiële vonnis Joachim Joesz Vernier heet — gestraft omdat hij te 's-Hertogenbosch en te Antwerpen gedoopt had — is niemand anders dan onze eigen Laurens Verniers, die inderdaad een grote rol in de doopsgezinde broederschap heeft gespeeld.
Vos overwoog wel een alternatief: er is een mogelijkheid van een drukfout in het uitgegeven vonnis. Als voor "Vernier" "Vermer" gelezen mag worden, gaat het om een zekere Joachim Vermeren, die in 1563 in Keulen uit het zicht raakte en vier jaar later in Franeker weer opduikt. Vos onderzocht dit spoor serieus — hij dacht aanvankelijk zelfs dat deze Joachim Vermeren dezelfde was als een oudste die in de Antwerpse archieven "Joost Vermeren" heette, maar dat bleek achteraf een andere man, Verbeeck, te zijn. Zelfs met deze slag om de arm blijft Vos' eigen conclusie dat het vonnis over Laurens Verniers gaat. Ik neem deze identificatie dus aan als de meest waarschijnlijke, met erkenning dat er in de negentiende- en twintigste-eeuwse doopsgezinde geschiedschrijving over dit soort naamsverwarringen genuanceerd wordt gediscussieerd.
Sententie van Banissement ende Confiscatie van goederen, jegens een persoon van Franeker, 26 november 1569 — bron: J. Marcus, "Sententien en Indagingen van den Hertog van Alba", 1735, eigen bibliotheek
Franeker: diaken en leraar
Laurens vestigde zich, na zijn tijd in de Zuidelijke Nederlanden, in Franeker. Bij zijn inschrijving in het Burgerboek van Franeker op 3 december 1560 staat hij geregistreerd onder de verbasterde naam "Lourens Wermer". Hij klom op tot diaken en later leraar (oudste) van de Franeker gemeente — een positie die hem middenin de grote geloofstwisten van zijn tijd plaatste.
Wat het ambt van diaken in de praktijk inhield, wordt mooi geïllustreerd door de verklaring van een geloofsgenoot uit Antwerpen, Jan van de Walle, die in 1571 werd gearresteerd (Marnef, 2008). Verderop in dit verhaal duikt deze Jan vanden Walle nog een keer op: hij is namelijk de geadresseerde van een van de twee brieven die Hans Busschaert in 1570 vanuit Köln schreef — zie het kopje "De brief van Hans Busschaert, 24 januari 1570" hieronder. Op de vraag wat het ambt van diaken precies inhield, antwoordde Jan van de Walle in het Frans: "de recoeullir les aulmosnes et distribuer aux povres" — in hedendaags Nederlands: "het inzamelen van de aalmoezen en het uitdelen daarvan aan de armen." Dat was dus ook de kern van Laurens' eigen taak als diaken: de zorg voor de armen binnen de gemeente.
Van Jan van de Walle is ook een opmerkelijke levensloop bekend, die goed laat zien hoe mobiel de vervolgde doopsgezinde broederschap was — een mobiliteit die Laurens zelf evengoed kenmerkte. Van de Walle, een veertigjarige lintwerker, vestigde zich rond 1554 in Antwerpen, trok na ruim een jaar naar Gent (ongeveer achttien maanden), vluchtte vervolgens naar Holland (zes maanden) toen inquisiteur Titelmans hem op de hielen zat, verbleef enige tijd in het Zeeuwse Middelburg, en keerde daarna terug naar de Antwerpse regio: anderhalf jaar in Borgerhout, vijf jaar op de Markgravelei, en ten slotte binnen de stadsmuren — drie jaar in de Vliersteeg, een half jaar in de Gasthuisbeemden, drie à vier maanden achter het Tapissierspand, en uiteindelijk in de Kaasstraat, waar hij bij zijn arrestatie woonde. Er bestonden nauwe contacten tussen de doopsgezinden in de stad Antwerpen en die in de omliggende dorpen zoals Borgerhout en Wilrijk; dezelfde oudsten, predikanten en diakenen opereerden in beide, wat laat zien dat het om één en hetzelfde netwerk ging. De getuigenissen van Van de Walle en van Herman van den Greyn tonen bovendien aan dat leraars en diakenen aan de basis werden verkozen, door de gewone gemeenteleden zelf.
Onderzoek naar de beroepen van doopsgezinde ambtsdragers uit deze periode laat een duidelijk patroon zien: van 27 ambtsdragers waarvan het beroep kon worden achterhaald, waren de sectoren textiel en kleding veruit dominant, met respectievelijk negen en zeven vermeldingen, gevolgd door de commerciële sector met vijf. Bouw en leerbewerking komen elk één keer voor, kunstambachten en de restrubriek "overige" elk twee keer. Ambachtelijke beroepen — met de textielsector voorop — waren dus volledig dominant; beroepen die een uitgesproken intellectuele vorming veronderstellen, ontbraken vrijwel geheel (Marnef, 2008). Onze stamvader Laurens, lakenhandelaar van beroep, paste daar naadloos in: ook hij kwam uit diezelfde dominante textielsector.
De Vriesch-Vlaamsche twisten
De doopsgezinde beweging van de zestiende eeuw was verre van eensgezind. Rond 1560 sloten de doopsgezinde gemeenten van vier Friese steden — Harlingen, Franeker, Leeuwarden en Dokkum — een geheim, negentien artikelen tellend "Verbond" over hun onderlinge verhoudingen (Doopsgezinde Bijdragen, Scheffer, 1893). Uit dit Verbond, en de manier waarop het aan het licht kwam, ontstonden de Vriesch-Vlaamsche twisten — door K. Vos later "de donkerste plek in onze historie" genoemd (Vos, 1914). Laurens, en zijn vriend Jeroen Tinnegieter, bevonden zich middenin dit spanningsveld.
Te Franeker was het de vreemdelingen — vluchtelingen uit het zuiden — gelukt hun eigen geloofsgenoot, de Henegouwer Jeroen Tinnegieter, tot leraar te laten kiezen. De Harlingers hadden hier zware bezwaren tegen, en om het geschil te beslechten werden buitenleraren ingeroepen: Dirk Filips, Hoyte Renix Santvoort, Nette Lipkes en Hans Bouwens Busschaert. Zij herstelden de vrede, al vergat Jeroen nooit hoe zwaar hij zich beledigd voelde. Tijdens deze onderhandelingen lekte uit wat de Harlingers mede had bewogen: het bestaan van het tot dan toe onbekende Verbond, waardoor Jeroens leraarschap automatisch ook zou gelden voor Harlingen, Leeuwarden en Dokkum. Toen de broederschap dit vernam, ontstond grote verontwaardiging, vooral te Franeker.
Kort daarop kwam er, in Emden, nog een zaak bij die de gemoederen verder verhitte: de gerespecteerde oudste Leenaert Bouwens werd er — na beschuldigingen (die overigens vals bleken) over drankgebruik en het aannemen van geld voor zijn diensten — door Dirk Filips en zes medestanders geschorst als oudste. Onder die rechters bevonden zich ook Hoyte Renix en de Harlinger leraar Ebbe Pieters. Leenaert Bouwens week vervolgens uit naar een plek vlak buiten Harlingen, waar hij warm onthaald werd en waar men niet in zijn schuld geloofde.
Hierdoor ontstond een schrijnend gebrek aan een oudste in de Friese gemeenten: zonder oudste was noch doop noch avondmaal mogelijk. Het is op dit punt dat onze stamvader met naam in het verhaal verschijnt. Volgens Scheffer: "Het gaf Jeroen Tinnegieter aanleiding om met zijn vriend Laurens Verniers naar Ebbe Pieters te Harlingen te gaan en hem de vraag voor te stellen: hoe daarin te handelen, dewijle zij Leenaert Bouwens kwijt waren?" — waarbij ook meteen de principiële vraag speelde of men zich aan de bepalingen van het Verbond zou houden. Laurens wordt hier dus uitdrukkelijk Jeroens vriend genoemd, en trad samen met hem op als gezant naar Ebbe.
Ebbe achtte het, net als zijn vriend Laurens, verstandig dit principe eerst te laten beslissen door een stemming in elk van de vier gemeenten. Toen de afgevaardigden van Leeuwarden en Dokkum echter via Franeker naar Harlingen reisden, bleek dat men te Franeker de vergadering had uitgesteld, en moest er haastig, dezelfde avond nog, een bijeenkomst worden belegd. Van de ongeveer driehonderd leden kwamen er niet meer dan dertig, die het bovendien onderling oneens waren en de beslissing maar aan de kerkeraad overlieten. Die kerkeraad, met Jeroen aan het hoofd, verklaarde daarop namens Franeker het Verbond "om der liefdes wille" wel te zullen proberen na te leven, maar zich alle vrijheid voor te behouden — in de praktijk een opzegging. Harlingen, Leeuwarden en Dokkum bleven het Verbond wél trouw, zodat het voortaan een verbond van drie steden werd.
Dit veroorzaakte echter een felle terugslag in Franeker zelf: velen die niet bij de haastige vergadering aanwezig waren geweest, protesteerden luid tegen de opzegging en eisten herroeping. Het werd het begin van de scheuring. Beide partijen kwamen voortaan apart samen; de voorstanders van het Verbond schorsten op hun beurt kerkeraadsleden die het er niet mee eens waren, en werden op hun beurt zelf uit hun ambt gezet door de partij van Jeroen. Zo ontstonden de partijnamen: de vreemdelingen (grotendeels Vlamingen en Brabanders) heetten voortaan Vlamingen, de oorspronkelijke bewoners, in tegenstelling daarmee, Friezen. Jeroen voerde de Vlamingen aan te Franeker, waar de twist het hevigst woedde.
Pogingen tot verzoening liepen vast op de vraag wie bevoegd was om te oordelen. Uiteindelijk daagde Jeroen Ebbe Pieters voor de afgescheiden Franeker gemeente, met zeven beschuldigingen (13 mei 1566) — vooral dat Ebbe te Leeuwarden zou hebben verspreid dat Jeroen c.s. kerkeraadsleden hadden gebannen, terwijl er alleen schorsing was uitgesproken. Ebbe bood aan zich te verantwoorden in zijn eigen gemeente Harlingen, waar hij woonde, maar dit werd stelselmatig geweigerd.
Hoe het hierna verder liep, is dankzij Blaupot ten Cate's oudere werk hierboven al verteld: de kwestie werd uiteindelijk voorgelegd aan de Hoornse leraren Jan Willemsz en Lubbert Gerritsz, die op 19 september 1567 met het Compromis van Embden een verzoening tot stand brachten. Die verzoening bleek echter niet houdbaar — het mislukte verzoeningsritueel van 1568 en de latere tussenkomst van Dirk Philips verdiepten de breuk verder, totdat de scheiding tussen Friezen en Vlamingen definitief werd, met een verdeeldheid die zich over de hele Republiek uitstrekte.
Vos concludeerde later dat de eigenlijke grondfout niet lag in de geheimhouding van het Verbond zelf, maar in de misgreep om een zo wankelmoedige en tegelijk eerzuchtige man als Ebbe zo veel gezag te geven. De Vriesch-Vlaamsche twisten kostten de jonge broederschap veel van haar beste leden, maar uit die verbrokkeling groeide uiteindelijk toch de doopsgezinde gemeenschap die eeuwenlang zou blijven bestaan.
Nog een perspectief: Blaupot ten Cate (1847)
Dezelfde twisten worden ook beschreven in een veel ouder standaardwerk: S. Blaupot ten Cate, "Geschiedenis van de Doopsgezinden: Doopsgezinden in Friesland en Holland, Zeeland, Utrecht" (Amsterdam, P. N. van Kampen, 1847). Deze negentiende-eeuwse historicus — niet te verwarren met zijn gelijknamige boek over Groningen, Overijssel en Oost-Friesland, elders in dit verhaal al aangehaald — geeft een net iets ander, persoonlijker getint beeld van de aanloop naar de scheuring.
Volgens Blaupot ten Cate ging het niet alleen om leerstellige verschillen, maar ook om alledaagse, culturele wrijving tussen Friezen en Vlamingen. Beide groepen hielden zich aan dezelfde wet van eenvoud en spaarzaamheid, maar vulden dat verschillend in: de Friezen waren soberder in hun kleding, de Vlamingen juist weer soberder in hun huisraad (de bron zelf is op dit punt niet helemaal eenduidig geformuleerd, maar de kern is duidelijk: over en weer vond men elkaars levensstijl minder ingetogen). Vooral onder de Vlaamse vluchtelingen waren er, aldus Blaupot ten Cate, enkele "onrustige, heethoofdige mensen" die de Friese gewoonten wilden bekritiseren en verbeteren — iets wat bij een volk dat sterk aan zijn eigen gebruiken hechtte, moeilijk viel. Deze sluimerende ontevredenheid brak uiteindelijk los over het Verbond der Vier Steden.
Ook hier komt Laurens weer nadrukkelijk in beeld: "Tinnegieter en Laurens Verniers, beide van Franeker, verstonden zich te dien einde met Ebbe Pieterszoon, Dienaar te Harlingen, om de Afgevaardigden der vier steden tegen een bepaalden tijd te Harlingen samen te doen komen." Laurens en zijn vriend Jeroen namen dus zelf het initiatief om de ontmoeting tussen de vier steden te regelen — een detail dat mooi aansluit bij wat al bekend was.
Blaupot ten Cate beschrijft ook het vervolg: op 19 september 1567 kwam er, vastgelegd in het Protocol van Embden, een Compromis tot stand, opgesteld door de Hoornse leraren Jan Willemsz en Lubbert Gerritsz, waarbij Friezen én Vlamingen zich zouden verzoenen. Bij de verzoeningsbijeenkomst in 1568 liep het echter mis: toen de geknielde Vlamingen, net als de Friezen, zelf weer wilden opstaan na hun schuldbekentenis, verklaarde Jan Willemsz dat zij — als "dwalende broeders" — niet uit eigen beweging mochten opstaan, maar bij de hand overeind geholpen moesten worden. Dit kleine, vernederende gebaar deed de net herstelde vrede weer volledig instorten. Een aangrijpend randverhaal: de Vlaamse broeder Job Jansz, diep bedroefd over deze nieuwe onenigheid, trok zich terug in Zuid-Holland, werd er gevangengenomen en in december van datzelfde jaar in Den Haag om zijn geloof verbrand, samen met Jan Thielemans. Ook de Vlaamse martelaar Jacob de Roore schreef, enkele dagen voor zijn dood op de brandstapel op 10 juni 1569, nog een brief vanuit zijn gevangenis in Brugge met de dringende oproep om zachter met het bannen om te gaan.
De verdeeldheid bleek hardnekkig: Groningerland, Oost-Friesland, Vlaanderen en Zuid-Holland kozen grotendeels de kant van de Vlamingen, Noord-Holland die van de Friezen. Zierikzee probeerde neutraal te blijven en tot verzoening op te roepen, maar werd juist daarom door beide partijen gebannen — en kreeg de bijnaam "Stilstaanders". Ook Dirk Philips mengde zich later in de kwestie, en verdiepte de breuk verder door onder meer Huyte Renix en de Hoornse rechters Jan Willemsz en Lubbert Gerritsz in de ban te doen omdat zij zonder zijn instemming geoordeeld hadden.
De brief van Hans Busschaert, 24 januari 1570
Bijzondere tijdsdocumenten zijn twee brieven die Hans Busschaert, halverwege januari 1570, vanuit Köln schreef. Het zijn twee losse brieven, met twee verschillende geadresseerden. De eerste brief is rechtstreeks aan Laurens gericht; de tweede aan Jan vanden Walle (of de dienaren) te Antwerpen, waarin Hans vraagt om een boodschap aan Laurens door te geven. Beide bevestigen dus juist dat Laurens zich in en rond Franeker bevond, niet in Antwerpen (Génard, XII, 26-27).
Brief 1 — aan Laurens Verniers, te Franeker
In deze brief doet Hans verslag van zijn reis, zijn bezoeken aan Breda en 's-Hertogenbosch, en de ontvangst van zijn "verclaerynghe" — zijn uitleg over de Friesch-Vlaamsche twisten — die door sommigen goed werd ontvangen, maar niet door iedereen. De volledige tekst luidt:
"Aen de eersamen Lauwereys Verniers, tot Franeker. Van God tot eewigher saelicheyt. Amen. Voort, naer alle vrintlieke groetenesse, so laet ick horen dat ick met ghesontheyt tot Kuelen ghecomen ben de 20 oft 19 Janewary, hebbende een seer moeylicke reyse. Tot Bree hebbe ick ghewest; het staet daer tamelick wel, ende ten Bo: hebbe ick gheweest, daer mocht met someghe wel beter staen. Dan myn verclaerynghe behaechde haer allen wel dan sy seyden een paert; die ander seghen haer saeke oock seer scoon. Daarop ick haer seyde dat ick beryt was sulcx te ghestaen als ick gheseyt hadde teghen die sulcx teghen te spreken hadden, sodat ick hope dat noch ten besten commen sal. Daer moet noch toe ghedaen worden. Ick en gaf my niet gern by haer in dienst om te vermaenen, omdat ick verstont vut someghe als die Holandsche oft Vriesche qwaeraen, sy wildense oock laeten vermaenen, ende dat docht my enen onformelicken reghel te syn. Ick wees haer an dat sy van beyden niet connen bedient worden, dan ondersceyt mosten vernemen by wien recht waere, ende alsdan in vreden."
(Kanttekeningen bij deze brief: Hans ondertekent als "uw swacke broeder" — door Vos geïdentificeerd als Hans Busschaert. "Bree" is Breda of het gehucht Breedorp; "Bo:" is 's-Hertogenbosch; de "verclaerynghe" is zijn uitlegging der Friesch-Vlaamsche twisten. Zie ook D. Bijdr., 1893, blz. 16.)
Brief 2 — aan Jan vanden Walle, te Antwerpen
Deze tweede brief, ook geschreven op 24 januari 1570 in Köln, is gericht aan Jan vanden Walle (of de dienaren) te Antwerpen, waar hij op 29 januari 1570 werd ontvangen. Hans bespreekt hierin zijn bezoek aan Eindhoven, en aan Gillis, die gevraagd was om de gemeente in Kleef te dienen maar dit niet wilde aannemen vanwege de moeilijkheden rond Emmerik en zijn eigen onervarenheid daar; verder zijn reis naar Aken, Rees en Nuys, en de dienaren van Köln, die vanwege de verstrooiing op dat moment weinig konden doen, met het voorstel om naar Dordrecht te schrijven zodra de gelegenheid zich voordoet. Ook een persoonlijke noot over zijn zoon, die in Breda verblijft en daar graag les zou krijgen in lezen en schrijven. Aan het eind vraagt Hans uitdrukkelijk om een boodschap aan Laurens door te geven. De volledige tekst luidt:
"Tot iynd: hebbe ick ghewest; daer staettet oock taemelick wel. Voort hebbe ick by Gillis ghewest; het staet daer oock taemlick wel, ende hy was aanghesocht om te dienen int lant te Kleef; het welcke hy niet wel wilde annemen, overmidts dat daerduer die swaricheyt leyt tot Eymryck ende hy daer weynich in ervaren is, ende inde moeyte qwaelick dient, so verolaerde hy my van Aeken, Ree ende Nus dat daer oock noot waere dat ick daer reysde om etlicke oorsaeken vande handel te Kleef; so seyde ick hem dat my over de mate voorhanden was, dat nootsaekelick waere, so en hebbe ick niet anghenomen sulcx te doen; so heeft hyt oock niet connen aennemen. So staet dat tussen beyden ende oock weet dat het wel nut waere... so hebbe ick... te vernemen oft haer die... van Kuelen souden connen helpen an wat hantreykinghe waerop ick die D. van K. hebbe angesproken, so en connen sy op dese tyt niet ghedoen door die verstroynghe, so dat sy wel mochten an die van Do: scryven altyt 'o vere als dese connen tot gheleghender tyt wat ghedoen, dat sullen sy wel doen; dan sy en derven niet scryven, noch haer op dese tyt daerop verlaten. Voorts so hadden wy woorden van myn soon die te Breda is; ick en hebbe niet wel ghelech connen vinden tot Breda; so daer wat ghelechs waere dat hy wat lesens ende scryvens mocht leren, dat wilde ick wel. Ick hadde hem oock ghern op breyen, ghy mocht wat overlegen. Hier met den Heere bevolen. Met haest ghescreven de 24 Janewary in Kuelen. Scryft an L. Ver. dat hy haest antwoort scryft wanneer dat Hertman verdich wesen sal. Ick groete u allen hertelick met des Heeren vrede. By my u s. b. Hans b. Anden eersaemen Jan vanden Walle oft ande D..., tot Antwerpen. Ontfangen de 29e January 1570."
(Kanttekeningen bij deze brief: "Tot iynd:" is Eindhoven; "Ree ende Nus" is Rees en Nuys; "D. van K." zijn de dienaars van Köln; "Do:" is Dordrecht; "L. Ver." is Laurens Verniers zelf; en de laatste "D..." in het adres staat voor "dienaren".)
Vriendschap met Leenaert — en de vraag: was Hans zijn broer?
In zijn biografie van Menno Simons gaat Vos dieper in op deze twee mannen, in een hoofdstuk getiteld "Hoyte, Hans en Herman" (Vos, Menno Simons, 1914). Hoyte Reynx Santvoort (genoemd naar het dorpje Zandfirden of Sandvoordery bij Bolsward) was de eerste, en Hans Busschaert — ook wel "de Wever" genoemd — de tweede oudste die door Leenaert werd bevestigd. Scheffer noemt deze laatste "Hans Bouwens Busschaert". Als dat juist is, doet zich de vraag voor: was Hans een broer van Leenaert?
Die vraag komt op omdat Hans, in een brief aan "Lauwerys Verniers, diaken te Franeker", gedateerd 24 januari 1571, vraagt om zijn groeten over te brengen aan "zijn broeder en zijn huisvrouw". In die tijd woonde Leenaert — met wie Laurens zeer bevriend was — "kort buiten Harlingen". Deze brief is opvallend: dezelfde datum (24 januari) en dezelfde geadresseerde (Lauwerys Verniers te Franeker) komen ook voor bij Brief 1 hierboven, al noemt Vos daar het jaartal 1570 in plaats van 1571 — een gebruikelijke verwarring bij januari-data uit deze periode, doordat het jaar toen niet overal op 1 januari begon. Het is dus goed mogelijk dat het om dezelfde brief gaat, al is dat niet met zekerheid vast te stellen.
Vos erkent zelf dat hiervan verder nergens iets blijkt. Het zou bovendien opmerkelijk zijn geweest, als in 1567 Leenaert de zijde van de Vriezen koos en Hans die van de Vlamingen — en Vos vraagt zich zelfs af of Blaupot ten Cate zich hier vergiste, toen hij sprak van "Hans Bouwens" in plaats van Busschaert (Blaupot ten Cate, via Vos). Deze vraag blijft dus open.
Hoyte Reynx, oudste te Bolsward, speelde net als Busschaert een rol in de Vriesch-Vlaamsche twisten. Hij sloot zich aan bij de Vriezen, en nam in 1590 deel aan de onenigheden over de "buitengetrouwden" (leden die met niet-doopsgezinden waren getrouwd), waarbij hij zich afscheidde samen met Pieter Willems Bogaert en Lubbert Gerrits (Vos, Menno Simons, 1914).
Het lied: Veelderhande liedekens (1582)
Laurens' naam en rol binnen de doopsgezinde gemeenschap waren kennelijk zo bekend, dat er over hem gedicht werd: hij komt voor in de bundel "Veelderhande liedekens, gemaect uut den Ouden ende Nieuwen Testamente" uit 1582, een van de vroege doopsgezinde liedbundels. Ook in het standaardwerk van F. C. Wieder, "De Schriftuurlijke Liedekens: Inhoudsbeschrijving en Bibliographie" ('s-Gravenhage, 1900), wordt hij vermeld — op bladzijde 117, onder de offerliederen, onder de naam Louwereys Verniers. Het bestaan van het lied, in twee onafhankelijke bronnen, is op zich al een mooi bewijs van zijn aanzien binnen de gemeente. De regels waarin hij genoemd wordt, luiden als volgt:
Lauwereys Verniers oock int ghetal
Hoept dat hy mede strijden sal
Gheneghen zijnde tot dichten
Om zijnen Naesten te stichten.
Uit: "Veelderhande liedekens, gemaect uut den Ouden ende Nieuwen Testamente", 1582 — Bron 30
De Huiskopers-twist (1588–1590) en de Contra-Huiskopers
Een tweede grote scheuring waarin Laurens een actieve rol speelde, is de zogeheten Huiskopers-twist, uitvoerig beschreven door S. Blaupot ten Cate (Blaupot ten Cate, Groningen/Overijssel/Oost-Friesland) en, met veel meer namen en data, in het artikel van Willem Stuve, "Herrie om een huis: de Huiskopertwist kritisch bekeken" (Stuve, 2005). De twist draaide om een zekere Bintgens, tegen wie een tuchtzaak liep.
Dit laatste artikel geeft ook nieuw licht op Laurens zelf: hij was oorspronkelijk oudste te Antwerpen, correspondeerde met Hans Busschaert, en koos in het Vlaams-Friese conflict de zijde van de Vlamingen. Al twee jaar voordat Alva hem in 1567 in absentia uit Antwerpen verbande, was hij al vertrokken naar Franeker. Als "adherent" van Dirck Philips was hij voorstander van een streng optreden tegen "buitentrouw" (huwelijken buiten de gemeente). In het najaar van 1569 duikt hij, als oudste van Franeker, op te Kleef, waar hij samen met de oudsten Hendrik van Roosevelt en Jan van Ophoorn een geschil binnen de gemeente aldaar beslechtte — dezelfde reis naar Kleef die ook al in Post II van het blog werd genoemd.
Op 19 januari 1588 werd de zaak tegen Bintgens vervolgd. Jacob Pieters wilde precies weten waarin Bintgens gezondigd had, waarop Jacques Walraven dit nader toelichtte — met als gevolg dat niet langer alleen over schorsing, maar over volledige uitsluiting van Bintgens uit de broederschap gesproken moest worden. Gillis van Aken, Guillaume uit d'Eenhoorn en Laurens Vermers — onze stamvader — waren van diezelfde mening. De rechters zelf raakten echter verdeeld: sommigen bleven Bintgens steunen. Er ontstond een principieel geschil over de procedure: moest de zaak meteen voor alle gemeenten komen, of eerst door enkelen worden onderzocht? Busschaert, Jan Roelands, Jacob Pieters en Bintgens zelf wilden de twist eerst laten beoordelen volgens 1 Timotheüs 5.
In juli van hetzelfde jaar werden de vergaderingen hervat, met dezelfde onenigheid over onderzoek door oudsten en dienaren, of door de gemeenten zelf. Tegen het advies van de Amsterdammers in, maar volgens het gevoelen van de Haarlemmers, werd voor het eerste gekozen; de andere partij vertrok, niet zonder eerst te vragen of ook het oordeel van Brixius Gerrits en anderen uit Groningen, Emden en Köln zou worden meegewogen. Op een vergadering in 1589 te Haarlem werden Hans Busschaert, Jan Roelands en Jacob Pieters door de Amsterdammers beschuldigd het onrecht van Bintgens het jaar ervoor te Franeker te hebben toegedekt. Bintgens en Michiel Reijers bestreden op hun beurt de legitimiteit van de ongevraagde komst van de Groningers en Oost-Friezen. Die laatsten vertrokken, maar schreven vanuit Amsterdam op 3 november 1589 een brief aan de Haarlemse gemeente om de beschuldiging te weerleggen en tot zachtmoedigheid en vrede te manen. De Haarlemse vergadering eindigde er niettemin mee dat Haarlem de partij vóór Bintgens bleef steunen, en Amsterdam de partij tegen hem.
De zaak escaleerde verder toen bleek dat Hans Busschaert had meegeholpen aan de ban van Jacob Reininghen (of Keest), een vroege tegenstander van Bintgens, maar tegelijk in het midden liet of deze man ook gemeden moest worden. Dit bracht Brixius, Ganglofs en vele bezorgde gemeenten er uiteindelijk toe volledig de kant van Jacob Keest te kiezen: Bintgens, Busschaert en Jacob van der Molen werden over en weer in de ban gedaan.
Op 5 februari 1590 deed de gemeente van Franeker een publieke verklaring uitgaan, waarin zij iedereen die meende dat hun iets te verwijten viel, uitnodigde om dit in persoon te komen aantonen. Een aantal Haarlemse broeders wilde op deze uitnodiging ingaan — wat de Haarlemse oudsten zo weinig beviel, dat zij tussen 5 februari en 13 mei 1590 juist hén in de ban deden: Willem Jansz. Buis, Laurens Verniers, Jacques Outerman, Cornelis de Cuper en Jaques Gerrits, plus de Amsterdammer Cornelis van Tongerloo (Stuve, 2005). Onze stamvader werd dus zelf door Haarlem gebannen, nog vóórdat hij samen met de Amsterdammers naar Franeker afreisde.
Diezelfde afgevaardigden reisden op 13 mei 1590 naar Franeker, met een tussenstop te Harlingen. Vanuit Harlingen stuurden zij op 15 mei twee nog niet-gebannen broeders vooruit om Bintgens te vragen in Franeker te blijven. Eenmaal in Franeker aangekomen, weigerde Bintgens brief na brief in ontvangst te nemen, precies omdat de ondertekenaars — onder wie Laurens — inmiddels gebannen waren. Deze brieven zijn ondertekend door Willem Jans Buys, Cornelis de Keyser, Laurens Vermers, Jaques Outermans, Cornelis van Tongerloo, Jaques Walraven, Gillis van Aken en Guillaume uit d'Eenhoorn — Laurens dus wederom nadrukkelijk aanwezig. Ook een poging om de Dokkumer oudste Jan Alberts erbij te betrekken liep vast: op 18 en 20 mei weigerde hij zich van zijn gezelschap te laten scheiden, waarna ook hij door Bintgens werd gebannen. Na zeer onbeleefd behandeld te zijn, keerden de afgevaardigden terug naar Amsterdam, waarmee de Vlaamse gemeente daar zich definitief aansloot bij de partij der Contra-Huiskopers. Op 3 september 1590 stelden zij in Amsterdam een verslag van de hele gebeurtenis op.
Rond diezelfde tijd verloor Bintgens ook zijn steun in Groningen, Oost-Friesland en Overijssel, nadat Jan Alberts — door Bintgens zelf naar Franeker ontboden, maar niet bereid te komen zonder zijn Groningse en Oost-Friese gezelschap — zonder opgaaf van redenen in de ban werd gedaan door een delegatie van Bintgens. Jan Alberts keerde kalm terug naar Dokkum, maar het gerucht hiervan zorgde ervoor dat men in de drie gewesten, en in Amsterdam, de zijde van Bintgens geheel verliet. De Huiskopers gingen uiteindelijk ten onder; nadat Van der Molen ook Bintgens' eigen beschermer Busschaert in de ban deed, werden Van der Molen en Bintgens de leiders van wat bekend werd als de partij der Bankeroetiers.
De belangrijkste bevinding uit "Herrie om een huis" is dat deze twist — ondanks de kleine, persoonlijke aanleiding (een huizenkoop) — uitgroeide tot een blijvende breuklijn tussen Amsterdam en Haarlem, die pas in 1632 met de hereniging van Oude en Jonge Vlamingen echt geheeld werd. Vrijwel alle betrokkenen, aan beide kanten, waren oorspronkelijk afkomstig uit Vlaanderen — ook Laurens dus — wat laat zien dat de scheidslijn niet zozeer liep tussen noord en zuid, maar dwars door de Vlaamse vluchtelingengemeenschap zelf.
Amsterdam: Van Dillen, De Oranjeboom en de lakenhandel
In Amsterdam wordt Laurens in 1585 opgenomen in het werk van Van Dillen (Van Dillen). Hij bezat er een huis aan de Kalverstraat (1585), en later het huis "De Oranjeboom" aan de Warmoesstraat (1591). Een masterscriptie Stadsgeschiedenis aan de UvA, "Welvaartsspreiding in Amsterdam ten tijde van de Capitale Impositie, 1585", geeft een nog preciezer beeld van zijn woonplek in dat jaar: in het belastingregister van de Capitale Impositie staat hij genoteerd aan de Oostzijde van de Warmoesstraat, vanaf de noorderhoek van de Sint-Annastraat richting de kerk — met als aanslagcode "Q Q 37 Q Q Q Q" (Capitale Impositie 1585). De precieze betekenis van deze code moet nog verder worden uitgezocht, maar de locatie plaatst hem middenin het toenmalige koopmanskwartier, vlak bij de Oude Kerk — waar hij vijftien jaar later ook begraven zou worden.
Van beroep was hij lakenhandelaar — een vak dat opvallend vaak voorkwam onder doopsgezinden. Veel Vlaamse vluchtelingen namen hun kennis van de textielnijverheid uit het zuiden mee naar het noorden, en de handel in laken en andere stoffen stond, anders dan sommige gilden, minder streng onder controle van kerkelijke eden en gilde-verplichtingen die voor godsdienstige dissenters een probleem konden vormen.
Overlijden en begrafenis
Laurens Verniers werd begraven op 27 december 1600 in de Oude Kerk te Amsterdam, aan de Oudezijds Voorburgwal bij de Varkensluis (DTB 1042, folio 260). Zijn weduwe, Grietge Joosten, verkocht in 1601 het huis "De Witte Voet".
Dit verhaal is opgebouwd uit fragmenten en citaten uit K. Vos' onderzoek, en wordt aangevuld zodra er meer bronnen beschikbaar komen — onder andere over zijn eerste huwelijk, en de volledige inhoud van het lied uit 1582.