Dit verhaal werkt een hypothese uit: dat de familie Verniers via een netwerk van doopsgezinde lakenkopers — de Anslo's en de Schoutens — haar weg vond van Amsterdam naar Weesp. De familiebanden hieronder zijn met bronnen onderbouwd; de verbinding met het vertrek van de Verniers naar Weesp wordt aan de hand van archiefstukken verder uitgewerkt.

Een huwelijk in 1611

Cornelis Claesz Anslo (1592–1646) kwam al voor in verhaal #8: de derde zoon van Claes Claesz Anslo en Giert(e) Jans, de stiefdochter van stamvader Laurens Verniers (ondertrouw 1582) (testament 1625). Cornelis werd lakenkoper, zoals zijn vader, en later een van de bekendste leraren van de Waterlandse doopsgezinden in Amsterdam (Wikipedia / GAMEO).

Op 9 januari 1611 trouwde Cornelis in Amsterdam met Aeltje (Aeltie) Gerritsdr. Schouten, geboren omstreeks 1589–1590 (kwartierstaat Zuiderent, gen. 13). Hij was toen achttien of negentien, zij een paar jaar ouder. Dertig jaar later, in 1641, schilderde Rembrandt het echtpaar in het beroemde dubbelportret dat nu in de Gemäldegalerie in Berlijn hangt: Cornelis, met de hand bij de opengeslagen Bijbel, spreekt tot Aeltje (Wikidata). Cornelis werd op 30 augustus 1646 in de Nieuwe Kerk begraven. Over Aeltjes sterfjaar verschillen de genealogieën: 1657, of kort vóór 20 november 1659 (Zuiderent).

Wie was Aeltje Schouten?

Aeltjes vader was Gerrit Cornelisz Schouten, geboren in 1567 in Weesp en overleden in 1626 in Amsterdam. Hij was lakenkoper; de Schoutens waren "een aanzienlijk doopsgezind lakenkopersgeslacht". Haar moeder heette Aeltgen Gerbrantsdr (kwartierstaat Zuiderent, gen. 14) — en de naam Gerbrand keert, zoals verderop blijkt, een generatie later terug.

Aeltjes grootvader was Cornelis Govertsz Schouten, ook "van Cleef" genoemd, woonachtig te Weesp en waarschijnlijk eveneens lakenkoper. Hij was getrouwd met Weyntgen Lap, uit een familie die al sinds de veertiende eeuw in Weesp en Naarden voorkomt (kwartierstaat Zuiderent, gen. 15). Aeltje was dus een Amsterdamse bruid met Weesper wortels: haar vader was er geboren, haar grootouders woonden er, en haar ooms bleven er wonen.

Niet te verwarren met: de ontdekkingsreiziger Willem Cornelisz Schouten, die in 1616 als eerste Kaap Hoorn rondde. Hij werd omstreeks 1567 in Hoorn geboren — hetzelfde jaar waarin Gerrit Cornelisz Schouten in Weesp ter wereld kwam — en voer mee met zijn broer Jan (Wikipedia). Het patroniem "Cornelisz" was in Holland heel gewoon; een familieband tussen de Hoornse zeevaarder en de Weesper lakenkopers is niet aangetoond.

De Schoutens van Weesp: laken en bier

Aeltjes oom Laurens Cornelisz Schouten (1568/69–1642), een broer van haar vader, bleef in Weesp. Hij was een doopsgezinde koopman en bierbrouwer en gold als de rijkste inwoner van het stadje in zijn tijd (Familiearchief De Clercq) (Zuiderent). Toen stadhouder Frederik Hendrik in september 1631 Weesp bezocht, was Laurens zijn gastheer — en de stadhouder complimenteerde hem met het Weesper bier (Ons Amsterdam). Ten noorden van de Geinbrug liet Laurens een lusthof bouwen, later de Schoutenhof genoemd: hij was de eerste van een reeks rijke Amsterdammers en Weespers die langs het Gein een buitenplaats kregen (De Clercq) (Ons Amsterdam).

Dat bier was geen bijzaak. Weesp had in de zeventiende eeuw handelaren, enige lakennijverheid en vooral brouwerijen. Het water van de Vecht was er goed; toen het Amsterdamse water door vervuiling steeds minder geschikt werd om bier te brouwen, lieten Amsterdamse brouwers zelfs Vechtwater in schuiten naar de stad slepen. De accijns lag in Weesp bovendien lager dan in Amsterdam. Later in de eeuw kwam daar de branderij bij: in 1667 telde Weesp al 23 branderijen, en Weesper brandewijn en jenever werden tot in Suriname en op Java gedronken (Ons Amsterdam).

Volgens een genealogische kwartierstaat trouwde Laurens Schouten met "een nicht van Vondel" (Zuiderent). In het zeventiende-eeuwse Nederlands kan "nicht" zowel een dochter van een broer of zus als een volle nicht betekenen; wie zij precies was, staat nog open.

Een tweede huwelijk: Gerbrand Anslo en Abigael Schouten, 1636

Cornelis en Aeltje noemden hun zoon Gerbrand — vermoedelijk naar Aeltjes grootvader van moederskant, de vader van Aeltgen Gerbrantsdr. Gerbrand Cornelisz Anslo (1612–1643) werd lakenkoper, net als zijn vader en grootvader, in de Kalkoensche Haan aan de Nieuwendijk, en in 1643 hoofdman van de saainering (De Clercq).

Op 20 maart 1636 werd hij ondertrouwd met Abigael (Abigel) Schouten, de dochter van de rijke Weesper oom Laurens Cornelisz Schouten (Wikipedia) (De Clercq). Omdat Abigaels vader en Gerbrands grootvader Gerrit broers waren, trouwde Gerbrand met een volle nicht van zijn eigen moeder. Joost van den Vondel schreef een bruiloftsgedicht voor het paar (Wikipedia).

In 1642 liet Gerbrand door de bekende architect Philips Vingboons een groot herenhuis bouwen, maar hij kon er nauwelijks van genieten: hij stierf kort na de voltooiing, in 1643. Na de dood van Laurens Schouten (1642) was de Schoutenhof aan het Gein aan Abigael gekomen; als weduwe verkocht zij de buitenplaats in 1647 aan de gebroeders Arnout en Hans Pelt, suikerbakkers aan het Rokin (De Clercq). Tot 1647 had de familie Anslo dus, via Abigael, een eigen plek aan de rand van Weesp.

Vondel in het midden

In dit netwerk staat Joost van den Vondel steeds dichtbij. Hij werd in 1606 gedoopt bij de Waterlanders en was van 1616 tot 1620 diaken van die gemeente (KB) — dezelfde gemeente waar Cornelis Anslo vanaf 1617 leraar was. Voor Gerbrand en Abigael schreef hij in 1636 hun bruiloftsvers. En bij Rembrandts ets van Cornelis schreef hij in 1641 zijn beroemde kwatrijn:

Ay Rembrant, maal Cornelis stem.
Het zichtbre deel is 't minst van hem:
't Onzichtbre kent men slechts door d'ooren.
Wie Anslo zien wil, moet hem hooren.

Rond diezelfde tijd, omstreeks 1640–1641, ging Vondel zelf over tot de rooms-katholieke kerk (KB). De band met de doopsgezinde families van zijn jonge jaren liep via zijn gemeente, zijn gedichten en — als de "nicht van Vondel" klopt — ook via het huwelijk van Laurens Schouten.

De weg naar Weesp: een hypothese

In verhaal #7 stond de vraag centraal: waarom Weesp? Daar werd een algemene verklaring voorgesteld — doopsgezinde mannen die in steden van de Republiek bestuurlijke ruimte kregen. Het Anslo-Schouten-netwerk maakt die vraag concreter. Zet de twee families naast elkaar:

JaarAnslo & SchoutenVerniers
1582Claes Claesz Anslo trouwt met Giert(e) JansGiert(e) is de stiefdochter van stamvader Laurens Verniers
1585Zijdelakenkoper Thomas van Tongerloo bij de honderd hoogstaangeslagenen, WarmoesstraatLaurens Verniers aan de oostzijde van de Warmoesstraat
1590Cornelis van Tongerloo door Haarlem in de ban gedaanLaurens Verniers in dezelfde ban; samen naar Franeker
1592–1595Cornelis Claesz Anslo geboren (1592)Lourens Verniers, kleinzoon van Laurens, geboren (1594/95)
1594Brouwer Claes Claesz Del (Weesp) trouwt met Ytje Huybertsdr, dochter van brouwer Huybert Gooyer (Hoorn)—
1605Vondels vroegst bekende gedicht, voor de bruiloft van Clara van Tongerloo—
1611Cornelis trouwt met Aeltje Gerritsdr. Schouten (9 januari)—
1615—Lourens Verniers, lakenkoper, trouwt met Sara Stevens
1618—Laurens Verniers, zijdelakenkoper, krijgt protest op een wisselbrief uit Danzig (9 juni)
1622Giert(e) Jans krijgt vierhonderd gulden in het testament van Trijntgen VerniersTrijntgen noemt in hetzelfde testament haar neef Louwerens als erfgenaam
1623—Pieter Lourens Verniers geboren; zijn vader Lourens overlijdt
1631Frederik Hendrik te gast bij Laurens Schouten in Weesp—
1636Gerbrand Anslo en Abigael Schouten ondertrouwd; bruiloftsvers van Vondel—
1637Teuntie Cornelisdr Anslo trouwt met Jan Claesz Del (12 november)—
1642–1647Laurens Schouten overlijdt (1642), Gerbrand Anslo overlijdt (1643), Abigael verkoopt de Schoutenhof (1647)—
1648—Pieter Lourens legt in Amsterdam zijn meesterproef als chirurgijn af
1656—Pieter Lourens is schepen van Weesp
1694—Mr. Cornelis Verniers, zoon van Pieter Lourens, heemraad voor Weesp
1700—Laurens Verniers, zoon van Mr. Cornelis, bierbeschooier te Diemen: beslag op een bierlevering en arbitrage met de impostmeester (19 mei)

Drie dingen vallen op.

Hetzelfde vak. De Anslo's waren lakenkopers, de Schoutens waren een lakenkopersgeslacht, en Lourens Verniers — de vader van Pieter Lourens — werd in 1618 "sijde Laecken Cooper" genoemd, zijdelakenkoper (zie hieronder). Cornelis Anslo en Lourens Verniers waren leeftijdgenoten en, via Giert(e) Jans en haar stiefbroer Pieter Verniers, stiefneven. In de Amsterdamse lakenhandel rond 1615–1620 moeten zij elkaar zijn tegengekomen.

Een band die bleef bestaan. Dat de families elkaar na de dood van Laurens Verniers niet uit het oog verloren, laat het testament van Trijntgen Verniers uit 1622 zien. Daarin krijgt Giert(e) Jans, de moeder van Cornelis Anslo, vierhonderd gulden — en in datzelfde testament wordt Louwerens, de vader van Pieter Lourens, als erfgenaam genoemd (testament 1622) (lees verhaal #6 →). De Anslo's en de Verniersen stonden dus in één en hetzelfde document.

De timing. De Weesper Schoutens waren op hun hoogtepunt in de jaren 1630: de rijkste man van de stad, gastheer van de stadhouder, met een buitenplaats aan het Gein die via Abigael tot 1647 in handen van de Anslo's bleef. Pieter Lourens Verniers, die zijn vader als baby verloor, rondde in 1648 in Amsterdam zijn opleiding tot chirurgijn af — en in 1656 zit hij als schepen in Weesp (meesterproef 1648) (akte 1656). Een jonge chirurgijn die zich in een kleinere stad wilde vestigen, had baat bij bekenden onder de gegoede families daar. Via het Anslo-Schouten-netwerk had de familie Verniers precies zulke bekenden in Weesp.

Hoe Pieter Lourens in Weesp precies met de Schoutens en de Anslo's verbonden was — als getuige bij een doop of ondertrouw, als voogd, of in notariële en schepenakten — wordt aan de hand van archiefstukken verder uitgewerkt, net als de familie van zijn vrouw Marretje Dircksdr.

Laurens Verniers, zijdelakenkoper: een wisselbrief uit Danzig, 1618

Dat Lourens (Laurens) Verniers volop in de Amsterdamse textielhandel zat, laat een notariële akte van 9 juni 1618 zien (Stadsarchief Amsterdam, 5075 inv.nr. 435). Notaris Palm Mathijsen begaf zich die dag, op verzoek van de Amsterdamse koopman Jan Visscher van Aecken, naar "Laurens Verniers sijde Laecken Cooper binnen deser Stede" — een zijdelakenkoper, een handelaar in zijden stoffen. Laurens was toen een jaar of drieëntwintig en drie jaar getrouwd met Sara Stevens.

De notaris toonde hem een wisselbrief uit Danzig, gedateerd 14 april (1618) en geopend met de gebruikelijke koopmansformule "Laus Deo". De brief, getekend door Heijndrick Utesch, droeg Laurens op om zes weken na zicht honderdveertig pond Vlaams te betalen aan Jan Visscher van Aecken — omgerekend zo'n 840 gulden, een flink bedrag. Laurens had de wissel al op 18 april geaccepteerd, en het adres op de brief luidde "deersame Discreete Sr. Laurens Verniers in Amsterdam". Nu de termijn verstreken was, vroeg de notaris of hij direct in contant geld wilde betalen. Laurens antwoordde dat hij het zo snel mogelijk zou voldoen. Omdat de betaling niet meteen volgde, tekende de notaris namens Visscher protest aan wegens niet-betaling, met voorbehoud van herwissel, kosten, schade en interest — te verhalen op de trekker, de acceptant en alle anderen die zich voor de wissel verbonden hadden.

Zo'n protest was in de handel van die tijd een gewone formaliteit: het was de stap die de houder van een wissel moest zetten om zijn rechten te bewaren, en zegt niet zonder meer iets over de kredietwaardigheid van de acceptant. Wat de akte wel laat zien, is het netwerk waarin Laurens handelde: een wissel uit Danzig, de grote Oostzeehaven waar de Amsterdamse kooplieden hun graan haalden en hun laken verkochten. En het beroep "zijdelakenkoper" plaatst hem in dezelfde wereld van zijde- en stoffenhandel als de familie Vondel in de Warmoesstraat en de doopsgezinde zijdehandelaars De Wolff, uit wier familie Vondel in 1610 zijn vrouw koos (zie verhaal #8).

Hieronder de transcriptie van het protest, in het oorspronkelijke Nederlands, als primaire bron. Op dezelfde registerbladzijde staan ook delen van twee andere akten (een testament en een volmacht van 8 juni 1618); die zijn hier weggelaten, aangegeven met […]. Bron 172.

Protest van een wisselbrief · 9 juni 1618

Op huijden Den negenden Junij anno xvi ende achtien hebick Palm mathijsen openbaer notaris ende ter presentie vande ondergeschreven getuijgen mij ter requisitie ende versoecke van deersame Jan visscher van aecken Coopman deser Stede getransporteert ende gevoecht neffens de persoon van Laurens Verniers sijde Laecken Cooper binnen deser Stede Ende hen vertoont een wistelbrieff waer van den teneur hier wae van woorde te woorde geinsereert staet hem vraegende off hij den voorss. bij hem alreede geaccepteert Ende W0t. Br0 daer aff den Dach vervullen was in gereeden gelde datelijck Datelijck wilde betaelen twelck hem door mij notaris voor gehouden sijnde seijde als van daer ten langsten hem percasse te sullen vot¬doen

Ende over mits de betaelinge promte lijck niet en geschiede hebicu notaris voor noemt wtten naem als booven wel Expre selijck geprotesteert van fante der betaen linge mitsgaders van wissel ende her […] wissel ende voorts van Costen schaden ende Interesten Daer omme alreede gehadt ende geleeden ende noch te hebben ende Lijden om allen tselve in tijden ende wijlen soo wel aende trecker vider schrijver vande selve wisselbrieffden acceptant deselfs ende allen anderen daerinne verobligeert ende verbonden weesende te sullen verhaele daer ende soo hij dat te raede vinden si

Gedaen binnen der voorss. Stede ter presentie van tijman van Baccum wls getuijch hiertoe versocht, hier volcht den tenens vande voorss. wisselbrieff

Lans der Aibis ad 14 April Dansigh    f140 pl.

Ses weecken naer sicht betaelt mijne eersten den tweeden niet an Sr. Jan vichscher van aecken de somme van honder veertich pont waems hier worde vernagelt van Sr niclaij Marisal dvet goede betaelinge stellet ob vl rekeninge

vale

Ende was onderteijckent vli heijndrick utesch · ter sijden stont geacce¬teert ach 18 April · de superscriptie vor deersame Discreete Sr. Laurens Verniers in Amsterdam

Buren in de Warmoesstraat: de zijdelakenkopers Van Tongerloo

Laurens Verniers was niet de enige zijdelakenkoper in deze kring. Al vóór de val van Antwerpen had Thomas van Tongerloo (1522–1591), afkomstig uit die stad, zich als zijdelakenkoper gevestigd in de Amsterdamse Warmoesstraat. Hij was bepaald welgesteld: in de Capitale Impositie van 1585 behoorde hij tot de honderd hoogstaangeslagenen van de stad (De Clercq). In datzelfde belastingregister staat ook onze stamvader Laurens Verniers genoteerd, aan de oostzijde van de Warmoesstraat (zie verhaal #8). De familie Van Tongerloo wordt gerekend tot de belangrijke koopliedengeslachten van Amsterdam rond 1600.

Zijn zoon Cornelis van Tongerloo (1555–1617), geboren in Antwerpen, werkte vooral in de textiel, maar kocht en verkocht ook veelvuldig huizen en percelen grond — in Amsterdam én in Weesp, kennelijk om te speculeren (De Clercq). Al rond 1600 keken Amsterdamse doopsgezinde textielhandelaren dus naar Weesp. Cornelis' jongere broers handelden op Venetië; de bekendste, Abraham van Tongerloo (ca. 1569–1623), was de Amsterdamse factor van de Venetiaanse edelman Francesco Morosini en was in 1595–1598 betrokken bij de bouw van een zeer groot schip voor hem.

Met de familie Verniers deelde Cornelis meer dan de straat en het vak. In het Huiskopersconflict rond Franeker was hij een van de Amsterdamse gedelegeerden. Tussen 5 februari en 13 mei 1590 deden de Haarlemse oudsten een groep broeders in de ban: onder hen Laurens Verniers — en, als enige Amsterdammer, Cornelis van Tongerloo. Samen ondertekenden zij daarna de brieven aan Thomas Bintgens in Franeker (Stuve, 2005) (lees verhaal #1 →). Later was Cornelis waarschijnlijk lidmaat van de Vlaamse gemeente die vanaf 1608 samenkwam in de schuilkerk bij 't Lam aan het Singel; in 1609 werden een zoon en een schoonzoon van hem daar tot diaken gekozen (De Clercq). Aan de diakenen van diezelfde Vlaamse gemeente liet Pieter Lourens Verniers in 1656 zijn deel van het geld van zijn oudtante Trijntgen na (zie verhaal #6).

Ook hier is Vondel dichtbij. De families Van Tongerloo en Van den Vondel woonden vlak bij elkaar in de Warmoesstraat, op nr. 35 en nr. 39, en waren goede bekenden. Toen Cornelis' dochter Clara van Tongerloo (1584/85–1640) in juli 1605 trouwde met Jacob Haesbaert junior, schreef de toen nog heel jonge Joost van den Vondel een gedicht voor het paar — het vroegst bekende werk van de latere dichter (De Clercq). Cornelis' stiefmoeder Geertruyt de Vreede hertrouwde in 1606 met Guillaume Utenhove, telg uit een oud Gents patriçiërsgeslacht, die samen met zijn stiefzoon Cornelis als gedelegeerde van de Amsterdamse Vlaamse gemeente bij het Huiskopersconflict betrokken was geweest.

Cornelis' laatste jaren verliepen minder voorspoedig. Omdat Amsterdam geen eigen lakennijverheid had, probeerde hij in 1616 een Amsterdamse draperie op te richten, maar ondanks aanzienlijke subsidies van het stadsbestuur mislukte de onderneming. Hij overleed in maart 1617. De vroedschap, bekend met de "groten iver, arbeyd ende naerstichheyt, die wylen de voorn. Cornelis van Tongerloe tot vorderinge van de voors. neringe ten beste van de stad heeft gehad ende gedaen", besloot zijn erfgenamen en andere gedupeerden met een subsidie te steunen (De Clercq).

Rond 1600 woonden in één Amsterdamse straat dus de Verniersen, de Vondels en de Van Tongerloos: Vlaamse doopsgezinde vluchtelingen, handelaren in laken en zijde, verbonden door hetzelfde geloofsconflict, dezelfde gemeente en — via Vondels eerste gedicht — zelfs door dezelfde bruiloftsverzen. En al in die generatie liepen de lijnen van de Warmoesstraat naar Weesp.

Een patroon: families die bij elkaar blijven

Wat dit verhaal laat zien, past in het beeld dat op deze site steeds weer terugkeert. Doopsgezinde families in Amsterdam en omgeving trouwden met elkaar, bleven bij elkaar in de buurt wonen, deden zaken in dezelfde branche en stonden elkaar bij als voogd, getuige of erfgenaam. In 1582 trouwde de stiefdochter van Laurens Verniers met een Anslo; in 1611 trouwde een Anslo met een Schouten; in 1636 trouwde de volgende Anslo opnieuw met een Schouten, een volle nicht van zijn moeder. Rond 1600 woonden de Verniersen, de Vondels en de Van Tongerloos als buren in de Warmoesstraat. Vondel zelf trouwde in 1610 met Maeyken de Wolff, uit een eveneens doopsgezinde familie van zijdehandelaars (Sterck, DBNL). Laken, geloof en huwelijk hielden deze families bij elkaar — en brachten ze, zo lijkt het, samen naar Weesp.

Brouwers onder elkaar: de Gooyers en de Dels

Het netwerk rond de Anslo's en de Schoutens reikte nog verder de brouwerswereld in. In Hoorn woonde omstreeks 1550–1600 Huybert Gysbertsz Gooyer, brouwer en koopman in de drie schuppen. Zijn vrouw Jannetje Ansemsdr had twee zusters in Weesp, die daar eveneens in de drankennering werkzaam waren (kwartierstaat Zuiderent, gen. 14). Aan dit geslacht is een eigen studie gewijd: "Ruim een eeuw nageslacht van Huybert Gysbertsz. Gooyer, een zestiende-eeuwse brouwer" (Gens Nostra 1993) — dezelfde studie die ook als bron dient voor de Weesper Schoutens.

Huyberts dochter Ytje Huybertsdr verhuisde in 1594 van Hoorn naar Weesp, na haar ondertrouw op 10 september 1594 met Claes Claesz Del. Del was brouwer in Weesp in de sterre met de croon en een van de machtigste mannen van de stad: schepen (1604–1619), meermaals burgemeester (tussen 1613 en 1633), lid van de vroedschap vanaf 1622, weesmeester en regent van het weeshuis. Na Ytjes dood in 1624 hertrouwde hij met Niesje Cornelisdr Schouten — een Weesper Schouten, naar haar vadersnaam vermoedelijk een zuster van Laurens en Gerrit (kwartierstaat Zuiderent, gen. 13).

En de kring sluit: hun zoon Jan Claesz Del (Weesp ca. 1611 – Amsterdam 1681), koopman en makelaar in Amsterdam en actief in de doopsgezinde gemeente, trouwde op 12 november 1637 met Teuntie Cornelisdr Anslo (ca. 1616–1648) — de dochter van Cornelis Anslo en Aeltje Schouten (kwartierstaat Zuiderent, gen. 12). Binnen één jaar na het huwelijk van Gerbrand Anslo met Abigael Schouten trouwde zijn zuster dus met de zoon van een Weesper brouwer-burgemeester en een kleindochter van de Hoornse brouwer Gooyer.

De Verniersen in de biernering

Een generatie later duikt de naam Gooyer op in onze eigen stamboom. Mr. Cornelis Verniers (1652–1719), chirurgijn, zoon van Pieter Lourens en vanaf 1694 heemraad voor Weesp (zie verhaal #8), trouwde met Grietje Pieters de Gooijer (zie de stamboom). Waar Grietje vandaan kwam en hoe zij zich verhoudt tot het Hoornse brouwersgeslacht Gooyer, wordt verder uitgewerkt.

Hun zoon Laurens (Lourens) Verniers, getrouwd met Elisabeth Langerbeen, was aan het einde van de zeventiende eeuw bierbeschooier te Diemen. Daarmee kwam de familie Verniers terecht in dezelfde biernering waarin de Schoutens, de Dels en de Gooyers groot werden — en vormt de trouw met een De Gooijer het zoveelste huwelijk tussen de doopsgezinde lakenkopers-, chirurgijns- en brouwersfamilies rond Amsterdam en Weesp.

Een beslagen bierlevering aan de Diemerbrug, 1700

Hoe dat werk er in de praktijk uitzag, laat een notariële akte van 19 mei 1700 zien (Stadsarchief Amsterdam, 5075 inv.nr. 6391). Tegenover elkaar staan Pieter Aldenhoven, voor de lopende termijn "impostmeester vande bieren over Amsterdam en Amstelant" — de man die de accijns op bier inde — en heer Cornelis Verniers, die optreedt als borg voor zijn zoon "Laurens Verniers bier beschoijer tot diemen".

Aldenhoven had een zending van Laurens aangehouden: twee halve vaten bier, die volgens Cornelis bestemd waren voor een klant in de Diemermeer, de in 1631 drooggemalen polder bij Diemen. De impostmeester hield vol dat het bier, samen met de bierwagen en twee paarden, niet alleen verbeurd was, maar dat er op grond van het "generale placcaet" bovendien een boete betaald moest worden. De goederen waren in beslag genomen en bleven staan in het huis van Jan Stoop, hospes aan de Diemerbrug, tot deze akte werd gepasseerd.

In plaats van te gaan procederen kwamen de partijen, met instemming van de baljuw en dijkgraaf van Amstelland, overeen het geschil voor te leggen aan twee scheidslieden: Mr. Jacob Molengraeff, advocaat, en Michiel Cock, notaris in Amsterdam. Zij zouden beslissen "soo wel nae scherpigheijt van reghten als naer reden en billickheijt". Cornelis koos domicilie ten huize van Sijbrant van Bort in de Utrechtsestraat bij de Kerkstraat in Amsterdam, en nam de kosten van het beslag bij Jan Stoop voor zijn rekening. De akte werd gepasseerd aan de Diemerbrug, met als getuigen Pieter de Letter, schout van Diemen, en Jacob Schutter, deurwaarder van de gemeene middelen. Onder de akte staat de handtekening "Cornelis Verniers".

De akte laat zien hoe dicht de familie op de biernering zat: de zoon als bierbeschooier te Diemen, met eigen wagen en paarden, de vader — sinds 1694 heemraad van de Zeeburg en Diemerdijk (zie verhaal #8) en hier met "heer" aangesproken — als borg die de zaak met de impostmeester regelt. Hoe de scheidslieden uiteindelijk beslisten, staat niet in deze akte.

Hieronder de transcriptie van de akte, in het oorspronkelijke Nederlands, als primaire bron. In de transcriptie staat de naam van de vader in de aanhef als "Vermens", in de ondertekening als "Cornelis Verniers". Bron 171.

Heden den 19 Maij Anno 1700: een segel van den gulde en vier stuij. Compareerden voor mij Joannes van Gonis openb. nots. bij den heron van hollandt geadmitteert binnen Amsterdam en Amsteland resideerende int bijwesen vande naegenoemde getuijgen No. 58 Sr. Pieter Aldenhoven als impostmeester vande bieren over Amsterdam, en Amstelant van desen lopende termijn ter eenre ende heer cornelis Vermens als instaende en caveren voor sijn soon Laurens Verniers bier beschoijer tot diemen ter andere seijde, te kennen gevende de wijl door den eersten is comparant was aengehaelt des tweede comparants soon haegh harmen die roots in gijselingh was genomen op het passeren desen ontslagen wert met twee halff vaeten bier die bestelt soude moeten werden naer het seggen vanden tweeden Comparant inde diemermeer, ende dewijl door den eersten comparant gesustineert wort deselve 2 vaeten met bier¬ wagen en twee paerden niet alleenigh vercomt te sijn maer daer en boven ingevolge van het generale placcaete particulier ordonnere in een boote daertoe geemaneert gebonden was wagen te betaelen, soo sij comparanten met goetvinden en bewilligingh vande wel Eedele hoor Jacob Haringhael baljon en dijkgraeff van Amstelandt St. gecontreert der¬ dragen en overeengekomen, om die saecken in disput sijnde te submitteeren en verblijven aen de heer en meester Jacob Molengraeff advocaet, en Mighiel Cock nots. binnen dese stadt van Amsterdam, omme de voorgemelde saecke die tusschen hem comparanten openstaende was te terminderen en decideeren, sodanigh en indier wegen als haer Ed: goedt duncken en raetsaem sullen oirdeelen te behooren soo wel nae scherpigheijt van reghten als naer reden en billickheijt, waer aen deselve hooren Arbiters met comparante heeffect vande Comp gelimiteert sullen sijn, en om dat de ^ opte volgens uijt spraeke hier op te doen sullen gestant houden, soo kieft den tweeden comparant sijn domicilium citandi ten huijse van Sijbrant van bort op de uijtreghse straet bijde kerckstraet binen Amsterdam alwaer ook alle citatien die daer gedaen sullen worden, moeten gebonden werden als off deselve aen sijn persoon geschiet waeren beloovende ook weders de comparanten dat de voorgemelde arbieters der te sullen mogen procederen bij de haalt, en voor de derdemael naer dat behoorlijcke sitatie door den gereghts boode gedaen sijnde en niet compareeren op de stucken en documenten vande compareerende partije reght en uijtspraeck sal werden gedaen, en dat alles onder 41 willige condemnatie vande Edelen mogende heeren gecommitteerde reeder van haer Eedele groot mogende de heeren staeten van holland ende westvrieslandt, constitueerde de eerste comparant de voor Joan de hertogh, ende de tweede comparant scharenburgh beijde selve procureurs voor de hoedel mogen de hooren gecommitteerde roeden, den een omme de condemnatie op dese compromisse ende de op te volgens uijtsprake te versoecken, ende den anderen daer in te competeren mits dat den tweeden comparant sal betalen de kosten, die roots ter huijse van Jan Stoop hospes aende diemer burgh in't huijs te rust ge¬ vallen sijn en dit alles onder affstant van relieff, reductie, en alle an¬ benetie die de raten in regten beker die den comparant te samen en ider int bijsonder te laeten moghte komen onder verbandt en submissie als naer reghter dat aldus passeerde Caende die meer burgh int bij wesen vande heer Pieter de Letter schout tot dien en Jacob schutter deurwr. vande gemeene middelen als getuygen hier overgestaen was geteekent Aldenhoven Cornelis Verniers De Letter schout Schutter Deurwr. Quod attestor Jochems

Vondel, langs vier wegen

Tel alles bij elkaar op en Vondel blijkt langs minstens vier wegen met dit netwerk verbonden: als buurman in de Warmoesstraat, waar hij in 1605 zijn vroegst bekende gedicht schreef voor de bruiloft van Clara van Tongerloo, uit de familie die in 1590 samen met Laurens Verniers in de ban werd gedaan; als diaken van de Waterlandse gemeente waar Cornelis Anslo leraar was; als dichter van het kwatrijn op Cornelis en van het bruiloftsvers voor Gerbrand Anslo en Abigael Schouten; en via familie, als de "nicht van Vondel" met wie Laurens Schouten, de rijkste brouwer van Weesp, getrouwd was. Een akte waarin Vondel en de Verniersen samen voorkomen, is niet bekend — maar zij bewogen zich in dezelfde kring.