Dit verhaal is nog in opbouw. De sporen naar de familie Anslo en naar Joost van den Vondel staan hieronder uitgewerkt; het spoor naar het geslacht Hooft wordt verder aangevuld, en het verhaal van een tweede Verniers-familie met huwelijken en leningen in de schilderswereld volgt binnenkort.
Cornelis Claesz Anslo: geschilderd door Rembrandt, bezongen door Vondel
Claes Claesz Anslo en zijn vrouw Geertgen (Giert(e)) Jans — stiefdochter van stamvader Laurens Verniers — zijn al bekend uit hun ondertrouw van 1582 en hun testament van 1625, waarin zij hun vijf zonen noemen: Claes, Joost, Cornelis, Reijer en Jan. Die derde zoon, Cornelis Claesz Anslo (1592–1646), groeide uit tot een van de bekendste doopsgezinde predikanten van Amsterdam — en tot een van de beroemdste modellen van Rembrandt (Rijksmuseum) (Wikipedia / GAMEO).
Cornelis werd op 14 juli 1617 beroepen als leraar bij de Waterlandse doopsgezinde gemeente. Rembrandt portretteerde hem meermaals: een roodkrijttekening in 1640, een ets in 1641, en in datzelfde jaar het beroemde dubbelportret "Anslo in gesprek met zijn vrouw" (met Aeltje Gerritsdr. Schouten, met wie Cornelis in 1611 trouwde) — tegenwoordig te zien in de Gemäldegalerie in Berlijn. Joost van den Vondel was diaken van Cornelis' gemeente en persoonlijk met hem bevriend; hij schreef het beroemde vierregelige gedicht bij Rembrandts ets, dat begint met de regels "Ay, Rembrandt, mael Kornelis stem, het zichtbre deel is 't minst van hem" (Ach, Rembrandt, schilder Cornelis' stem, het zichtbare deel is het minste van hem) (GAMEO).
Voor onze stamboom betekent dit: Cornelis Claesz Anslo was de stiefkleinzoon van Laurens Verniers (via diens stiefdochter Giert(e) Jans) — en daarmee komt de familie Verniers via het huwelijk van 1582 wel degelijk in de directe nabijheid van zowel Rembrandt als Vondel, twee van de grootste namen van de Nederlandse Gouden Eeuw. Cornelis' oudere broers Claes, Jan en Reyer werden ieder syndicus van het lakenkopersgilde; de zoon van broer Reyer, eveneens Reyer geheten, werd op zijn beurt dichter.
Joost van den Vondel: een Antwerpse vluchtelingenfamilie in de Warmoesstraat
De band tussen de familie Verniers en Vondel loopt niet alleen via Cornelis Anslo. Wie het leven van Vondels ouders naast dat van stamvader Laurens Verniers legt, ziet twee families met hetzelfde verhaal: Antwerpse doopsgezinden die voor de vervolging vluchtten, via Duitse steden naar het noorden trokken en uiteindelijk in dezelfde Amsterdamse straat terechtkwamen.
Van Antwerpen naar Keulen
Vondels vader, Joost van den Vondel de oude, was een Antwerpse hoedenstoffeerder; zijn moeder, Sara Kranen (Craen, geboren 1565), was de dochter van de Antwerpse knopenmaker Peter Craen (Sterck, DBNL). Beide families waren doopsgezind — "wederdopers" in de taal van de overheid — en ontvluchtten rond 1582 Antwerpen, net als zovele geloofsgenoten in die jaren (KB). Ze vonden een onderkomen in Keulen, waar een gemeenschap van Antwerpse doopsgezinde vluchtelingen leefde; Joost en Sara trouwden daar. Op 17 november 1587 werd hun zoon Joost geboren, in het huis "Zur Viole" aan de Grosse Witschgasse — de latere dichter, oudste van zeven kinderen (KB).
Ook in Keulen waren de doopsgezinden niet veilig. In 1595 werd vader Vondel, samen met zijn Antwerpse lotgenoot Heinrich Trigault, door de stedelijke fiscaal aangewezen als lid van "de Secte". Hij kwam er af met een relatief kleine boete, maar een volgende aanraking met de fiscaal zou verbanning betekenen (Sterck, DBNL). Het gezin vertrok: "den Rijn langs naar Frankfort, verder naar Bremen en over zee, den gewonen weg, naar Utrecht" — de gebruikelijke vluchtroute van die tijd. Na een kort verblijf in Utrecht vestigde het gezin zich in maart 1597 in Amsterdam (Historiek).
Keulen in het netwerk van Laurens
Keulen was ook voor stamvader Laurens Verniers geen onbekende plek. Halverwege januari 1570 schreef de Vlaamse oudste Hans Busschaert vanuit Keulen twee brieven: één rechtstreeks "Aen de eersamen Lauwereys Verniers, tot Franeker", en één aan de dienaren te Antwerpen, met het verzoek om Laurens snel te laten antwoorden. Busschaert noemt daarin ook de "dienaren van Keulen", de voorgangers van de doopsgezinde gemeente daar (Génard, XII). Een paar maanden eerder, in het najaar van 1569, was Laurens zelf als oudste van Franeker in Kleef, aan de Nederrijn, om daar met twee andere oudsten een geschil in de gemeente te beslechten (Stuve, 2005).
Het gezin Vondel woonde toen nog niet in Keulen: Vondels ouders kwamen er pas rond 1582 terecht, ruim tien jaar na deze brieven. Van een ontmoeting in Keulen kan dus geen sprake zijn geweest. Wat de brieven wel laten zien, is dat Laurens al in 1570 deel uitmaakte van het doopsgezinde netwerk tussen Antwerpen, het Rijnland en Friesland — hetzelfde netwerk van gemeenten en voorgangers dat een decennium later de Antwerpse vluchtelingen opving, onder wie de ouders van Vondel.
De Rechtvaerdige Trou in de Warmoesstraat
In 1597 legde vader Vondel de poortereed af en werd hij burger van Amsterdam. Het gezin betrok een huis in de Warmoesstraat, "daer uythangt de Rechtvaerdige Trou", waar vader Vondel eerst als hoedenmaker en daarna als koopman in zijde, vooral kousen, zijn winkel dreef (Sterck, DBNL). Na zijn dood in 1608 zette Sara Kranen de zaak voort; later nam de dichter zelf, met zijn vrouw, de kousenhandel over. De Warmoesstraat was in die jaren een straat van Zuid-Nederlandse nieuwkomers: de Brabanders leefden er als een groep die zich wat afzonderde van de Hollanders (Historiek).
Precies in die buurt woonde ook stamvader Laurens Verniers. In het belastingregister van de Capitale Impositie van 1585 staat hij genoteerd aan de oostzijde van de Warmoesstraat, vanaf de noorderhoek van de Sint-Annastraat richting de Oude Kerk (UvA-scriptie Capitale Impositie). Hij woonde en handelde vanuit het huis "De Oranjeboom" aan de Warmoesstraat, op de hoek van de Oudezijds Kerkstraat, dat hij in 1591 verkocht (Stadsarchief Amsterdam); in 1592 kocht hij "De Witte Voet" aan de Oudezijds Voorburgwal, de gracht direct achter de Warmoesstraat, waar hij tot zijn dood bleef wonen. In december 1600 werd hij begraven in de Oude Kerk, het middelpunt van diezelfde buurt (begraafakte Oude Kerk).
| Jaar | Familie Verniers | Familie Vondel |
|---|---|---|
| 1569–1582 | Laurens Verniers door Alva uit Antwerpen verbannen (1569); leraar en oudste in Franeker | Vondels ouders vluchten rond 1582 uit Antwerpen naar Keulen |
| 1582 | Stiefdochter Giert(e) Jans trouwt met Claes Claesz Anslo | — |
| 1585 | Laurens woont aan de oostzijde van de Warmoesstraat | Het gezin woont in Keulen |
| 1587 | — | Joost van den Vondel geboren in Keulen (17 november) |
| 1591–1592 | Laurens verkoopt "De Oranjeboom" (Warmoesstraat) en koopt "De Witte Voet" (Oudezijds Voorburgwal) | — |
| 1595–1597 | — | Boete in Keulen; via Frankfurt, Bremen en Utrecht naar Amsterdam |
| 1597 | Laurens woont aan de Oudezijds Voorburgwal | Vader Vondel wordt poorter; winkel in de Warmoesstraat |
| 1600 | Laurens begraven in de Oude Kerk (27 december) | Het gezin woont in de Warmoesstraat |
| 1606–1620 | Cornelis Claesz Anslo leraar bij de Waterlanders (vanaf 1617) | Vondel gedoopt bij de Waterlanders (1606), diaken 1616–1620 |
Een hechte gemeenschap
Toen het gezin Vondel in 1597 in de Warmoesstraat neerstreek, woonde Laurens Verniers dus om de hoek — een oudere, in doopsgezinde kring bekende Antwerpse balling, voormalig oudste en leraar, over wie in 1582 zelfs een lied was gedicht (lees zijn verhaal →). Drie jaar lang woonden de twee families binnen een paar honderd meter van elkaar, rond dezelfde Oude Kerk. De doopsgezinden vormden in het Amsterdam van rond 1600 een kleine, hechte wereld: vluchtelingen uit dezelfde Zuid-Nederlandse steden woonden dicht bij elkaar, trouwden met elkaar, deden zaken met elkaar en stonden elkaar bij als voogd of getuige. De Vondels zelf zijn daar een voorbeeld van: de dichter trouwde op 5 december 1610 met Maeyken de Wolff, dochter van eveneens doopsgezinde, uit Keulen afkomstige zijdehandelaars (Sterck, DBNL) (KB).
Die gemeenschap was wel verdeeld in stromingen. Laurens Verniers was een Vlaming: in de Vlaams-Friese scheuring van 1566–1567 koos hij de zijde van de Vlamingen, en als aanhanger van Dirk Philips was hij voorstander van een streng optreden tegen huwelijken buiten de gemeente (Stuve, 2005). In de Huiskopers-twist van 1588–1590, die dwars door de Vlaamse gemeenten liep, stond hij aan de kant van de tegenstanders van Bintgens, samen met de Amsterdamse Vlaamse gemeente (lees zijn verhaal →). Die partij, de Contra-Huiskopers, werd later ook wel de "Zachte Vlamingen" genoemd (GAMEO). De familie Vondel sloot zich aan bij weer een andere, ruimdenkender stroming: de Waterlanders. Vondel werd daar in 1606 gedoopt en was van 1616 tot 1620 diaken (KB). Maar juist bij de Waterlanders stond de familie van Laurens' stiefdochter: haar man Claes Claesz Anslo was dienaar van de Waterlandse doopsgezinden, en hun zoon Cornelis werd in 1617 leraar van precies de gemeente waar Vondel diaken was. Via het huwelijk van 1582 liep er dus een directe lijn van het huishouden van Laurens Verniers naar de gemeente, de vriendenkring en later de gedichten van Vondel. Zijn beroemde regels bij Rembrandts ets van Cornelis Anslo schreef hij in 1641, rond dezelfde tijd dat hij zelf overging tot de rooms-katholieke kerk.
Een akte waarin Laurens Verniers en vader Vondel samen voorkomen, is niet bekend. Dat de twee Antwerpse doopsgezinde families elkaar kenden, is gezien de buurt, het geloof, de gedeelde vluchtgeschiedenis én het beroep zeer aannemelijk. Laurens was lakenhandelaar; vader Vondel werd in de Warmoesstraat koopman in zijde en kousen, en de dichter trouwde in een familie van zijdehandelaars (Sterck, DBNL). De Warmoesstraat en de straten rond de Oude Kerk waren in die jaren het hart van de Amsterdamse handel in laken, zijde en andere stoffen, met veel Zuid-Nederlandse nieuwkomers onder de kooplieden. Twee doopsgezinde textielhandelaren uit Antwerpen, in dezelfde straat, in dezelfde branche: dat zij elkaar niet zouden hebben gekend, is moeilijk voor te stellen — maar tot er zo'n akte opduikt, blijft het een plausibele en geen bewezen band.
Het geslacht Hooft: bestuurders rond Amsterdam en Weesp
Bij de naam Hooft denkt men meteen aan de dichter P.C. Hooft. Voor de familie Verniers is echter het hele geslacht Hooft van belang: een Amsterdamse regentenfamilie die generaties lang bestuursfuncties bekleedde in de stad en in het gebied eromheen, tot en met Weesp, waar de Verniers-tak zich later vestigde.
De vader van de dichter, Cornelis Pietersz Hooft (1547–1626), was koopman in de Oostzeehandel, zat van 1584 tot 1611 in de vroedschap van Amsterdam en was vanaf 1588 twaalf keer burgemeester (Elias / parenteel Hooft) (Wikipedia). Zijn vrouw, de moeder van de dichter, was Anna Blaeu; volgens de Engelstalige Wikipedia kwam zij uit een doopsgezinde familie (Wikipedia). Andere leden van het geslacht zaten in het bestuur van de Amstellandse polders en in het stadsbestuur: Jan Cornelisz Hooft († 1600) was schout (1579), kapitein en later kolonel van de burgerij, heemraad van Nieuwer-Amstel (1581) en raad ter Admiraliteit (1591–1600); Willem Jansz Hooft was regent van het Nieuwezijds Huiszittenhuis (1609) en eveneens heemraad van Nieuwer-Amstel (1612) (Elias / parenteel Hooft).
Op 23 mei 1609 werd Pieter Cornelisz Hooft (1581–1647) benoemd tot drossaard en kastelein van Muiden, baljuw van Naarden en Gooiland, en hoogbaljuw en dijkgraaf van Weesp en Weesperkarspel en van de Hoog-Bijlmer (Elias / parenteel Hooft) (Van der Stroom, DBNL). Als hoofdofficier van Weesp had hij tot zijn dood in 1647 het hoogste gezag over het Weesper stadsbestuur, inclusief toezicht op schout en schepenen, en als dijkgraaf zeggenschap over de waterstaat van de Weesper polders. Van april tot oktober woonde hij op het Muiderslot; 's winters woonde het gezin in Amsterdam, aan de Keizersgracht (Muiderslot).
Zijn zoon Arnout Hellemans Hooft (1629–1680) volgde niet in het drostambt, maar klom op in de Amsterdamse schutterij (vaandrig 1650, luitenant 1656, kapitein 1662) en was in 1660 directeur van de kolonie Guyana (Elias / parenteel Hooft).
De volgende generaties
Na de dood van P.C. Hooft verschoof het zwaartepunt van het geslacht naar de nakomelingen van zijn oom Willem Pietersz Hooft, de broer van burgemeester Cornelis. Willems kleinzoon Henrick Hooft (1617–1678), zoon van Hendrick Willemsz Hooft en Haesje Houtloock, was daarmee een achterneef van de dichter (Wikipedia (de)) (Elias / parenteel Hooft). Henrick werd in 1655 lid van de Amsterdamse vroedschap, in 1656 schepen en was burgemeester in 1662, 1664, 1672, 1677 en 1678. Hij zat van 1666 tot 1669 in de Admiraliteit van Amsterdam en werd in 1669 Gecommitteerde Raad in Den Haag. In het Rampjaar 1672 werd hij bedreigd en van verraad beschuldigd, maar hij behield zijn plaats in de door Willem III vernieuwde vroedschap. Via zijn tweede vrouw, Maria van Walenburgh, werd hij heer van Oudkarspel, Schoten en Schoterbos (Wikipedia (de)) (Greets genealogie).
Zijn zoon Gerrit Hooft (1649–1717), in 1673 getrouwd met Elisabeth van Gheel, werd eveneens burgemeester van Amsterdam; een andere zoon, Willem, werd burgemeester van Delft (Wikipedia (de)) (Greets genealogie). Diens zoon, weer een Gerrit Hooft (1684–1767), trouwde in 1707 met Hester Hinlopen en was eveneens burgemeester en raad van Amsterdam; bij hun gouden bruiloft in 1757 werd een gedenkpenning geslagen (Greets genealogie). En in de tweede helft van de achttiende eeuw keerde het oude ambt van P.C. Hooft terug in de familie: Mr. Gerrit Corver Hooft (1744–1807), zoon van Jan Hooft en Maria Margaretha Corver, was schepen en raad van Amsterdam, baljuw van Naarden en Gooiland en drossaard van Muiden (Greets genealogie / Online Museum De Bilt).
Weesp en de Diemerzeedijk
Voor het waterbeheer rond Amsterdam en Weesp was het Hoogheemraadschap van de Zeeburg en Diemerdijk het belangrijkste college. Het was in 1437 opgericht om de zeedijk langs het IJ en de Zuiderzee tussen Amsterdam en Muiden te onderhouden. In het college hadden tien heemraden zitting, die achtereenvolgens Weesp, Muiden, Weesperkarspel, Loosdrecht, Loenen-Kronenburg, Kortenhoef, Breukelen, Abcoude, Nigtevecht en Amsterdam vertegenwoordigden (Historische Kring Diemen).
De dijkgraaf was de baljuw van Amstelland, die tegelijk dijkgraaf van het hoogheemraadschap Amstelland was. Hij werd, met instemming van Amsterdam, benoemd door de Rekenkamer der Grafelijkheidsdomeinen van Holland, en vanaf 1728 door de Staten van Holland. De heemraden werden aangesteld door de steden, bannen of ambachtsheerlijkheden die zij vertegenwoordigden — de heemraad voor Weesp dus door het Weesper stadsbestuur. Alleen de heemraad van Abcoude werd door de Staten van Utrecht benoemd. Amsterdam had een bijzondere positie: de jongste burgemeester van de stad was van rechtswege heemraad, en zelfs de eerste in rang van de tien; sinds 17 december 1612 mocht Amsterdam bij diens verhindering een vervanger aanwijzen (Archief Zeeburg en Diemerdijk).
In het Gemeenlandshuis aan de Diemerzeedijk hingen wandborden met de namen van alle dijkgraven en hoogheemraden, met het jaar van aantreden en een volgnummer per zetel. Op die lijsten staan leden van het geslacht Hooft voor Amsterdam, Muiden en Weesperkarspel — en drie Verniersen als heemraad voor Weesp (Archief Zeeburg en Diemerdijk):
| Zetel | Heemraad | Aangetreden | Volgnr. |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Mr. Hendrik Hooft | 1691 | 13 |
| Amsterdam | Daniel Hooft | — | 14 |
| Muiden | Hendrik Hooft de Jonge | 1691 | 30 |
| Weesp | Cornelis Verniers | 1694 | 42 |
| Weesperkarspel | Gerrit Hooft | 1695 | 54 |
| Weesp | Pieter Verniers | 1715 | 43 |
| Weesperkarspel | Mr. Daniel Hooft | 1718 | 55 |
| Weesp | Willem Verniers | 1721 | 44 |
| Weesperkarspel | Mr. Gerrit Hooft Danielsz. | 1740 | 56 |
Hier komen de twee families, die in dit verhaal steeds in elkaars nabijheid opdoken, voor het eerst aantoonbaar in één college samen. Vanaf 1694 vertegenwoordigde Cornelis Verniers Weesp, vlak nadat Mr. Hendrik Hooft (Amsterdam) en Hendrik Hooft de Jonge (Muiden) in 1691 zitting hadden genomen. Met Gerrit Hooft, die in 1695 aantrad voor Weesperkarspel, zat hij ruim twintig jaar in hetzelfde college: de Weesper zetel ging pas in 1715 over, de Weesperkarspelse in 1718. De Weesper zetel bleef daarna in de familie: Pieter Verniers volgde in 1715 en Willem Verniers in 1721 — drie opeenvolgende heemraden, genummerd 42, 43 en 44. Ook de Weesperkarspelse zetel ging binnen de familie Hooft over, van Gerrit (1695) via Mr. Daniel (1718) naar Mr. Gerrit Hooft Danielsz. (1740). De Cornelis Verniers van 1694 is Mr. Cornelis Verniers (1652–1719), chirurgijn en zoon van Mr. Pieter Lourens Verniers (zie de stamboom). Hoe Pieter en Willem Verniers in de stamboom passen, wordt later op deze site uitgewerkt.
Roerige tijden aan de dijk
Deze heemraden leefden in onrustige jaren. Op zondag 5 maart 1651 brak de dijk door en liepen een deel van Amsterdam en de in 1631 drooggemalen Diemermeer onder water (Historische Kring Diemen). Het Rampjaar 1672 bracht de Franse troepen tot in het Gooi, terwijl Henrick Hooft als burgemeester van Amsterdam onder vuur lag. In 1674 kwam er een zeesluis in de monding van de Vecht bij Muiden. Zware stormvloeden op 4–5 november en 4–5 december 1675 sloegen vier grote, diepe walen in de Diemerdijk en zelfs elf in de dijk van Muiden naar Naarden; een storm in oktober 1677 maakte het herstelwerk weer teniet. De Staten van Holland besloten daarop op 7 mei 1678 dat dijkwerken voortaan "uit één hand" mochten worden uitgevoerd, voor rekening van de dijkplichtige eigenaren. Door geschillen met Utrecht trad die ordonnantie nooit echt in werking, maar onderdelen ervan werden wel ingevoerd: heemraden kregen zitting voor het leven en moesten voldoende gegoed zijn. Voor de dijk van Muiden naar Naarden kwam een apart hoogheemraadschap, dat ook de nieuwe zeesluis van Muiden beheerde (Archief Zeeburg en Diemerdijk).
In 1702 brak de dijk opnieuw door, onder meer bij Diemerdam en Muiden. Jan van der Heyden de jonge, generale brandmeester en opzichter van de wateren en sluizen van Amsterdam, kreeg van de burgemeesters opdracht de zeedijk te onderzoeken en verbeteringen voor te stellen. Op 5 juni 1720 sloten gecommitteerden van de Staten van Holland en van Utrecht in Weesp een akkoord over de kosten: Muiden en Weesp samen droegen een negende deel van het dijkonderhoud, Weesperkarspel eveneens een negende. In 1727 kreeg het hoogheemraadschap een nieuw Gemeenlandshuis aan de Diemerzeedijk. Toen in 1735 de paalworm de houten paalwerken van de dijk aantastte, lieten dijkgraaf en hoogheemraden in 1737 een glooiing van keistenen aanbrengen, en nam het dijkbestuur het onderhoud in de praktijk over van de afzonderlijke eigenaren (Archief Zeeburg en Diemerdijk) (Historische Kring Diemen).
Cornelis, Pieter en Willem Verniers zaten dus als heemraad voor Weesp aan tafel in precies de jaren waarin de dijk na 1702 werd hersteld, het akkoord van 1720 in hun eigen stad werd gesloten en het nieuwe Gemeenlandshuis verrees. Welke rol zij daarbij persoonlijk speelden, moet uit de resoluties van het hoogheemraadschap blijken.
Nog te vervolgen
Er volgt nog meer: een tweede Verniers-familie, met huwelijken tot in de schilderswereld (onder anderen met Daniel Thivaert en Wichman Kuvenis) en financiële banden met schilder David Vinckboons. Het bronmateriaal daarvoor ligt klaar en wordt binnenkort tot een eigen verhaal uitgewerkt.