Dit verhaal bouwt voort op het verhaal van kapitein Pieter Vernier en staat om dezelfde reden los van onze bevestigde stamlijn. Het volgt, dag na dag, het journaal van Anthony Duyck — secretaris van de Raad van State, die het beleg van Geertruidenberg in 1593 op de voet volgde (Duyck, Journaal, deel 1, boek 1). Duyck noemt de opperbevelhebber van het Staatse leger steevast "Sijne Excellentie" — daarmee wordt Prins Maurits van Oranje-Nassau (1567–1625) bedoeld, stadhouder en sinds 1588 opperbevelhebber (kapitein-generaal) van het leger van de Republiek, en de centrale militaire figuur van de Nederlandse Opstand in deze periode. Elke vermelding van "Zijne Excellentie" in dit verhaal verwijst dus naar hem persoonlijk.

Wat een "Commandeur van Geertruidenberg en Breda" was

De Dordtse bron uit 1677 noemt Pieter Vernier "Kapitein van eene compagnie voetknechten ten dienste dezer Landen, Commandeur van Geertruydenberg en Breda" (Balen, blz. 981). Dat waren, feitelijk, twee verschillende niveaus van gezag. Als kapitein voerde hij het directe bevel over één compagnie voetknechten (infanterie), destijds doorgaans zo'n 100 tot 150 man, "ten dienste dezer Landen" — dat wil zeggen: officieel in dienst van de Staten-Generaal of de Staten van Holland, de opstandige overheid van de Republiek. Als commandeur (ook wel gouverneur genoemd) van een vestingstad droeg hij daarnaast de militaire en bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het garnizoen van die stad: het onderhoud en de bewaking van muren en poorten, de discipline onder de manschappen, het beheer van kruit, wapens en voedselvoorraden, en de samenwerking met het stedelijk bestuur bij verdediging tegen het Spaanse leger. Geertruidenberg en Breda waren in deze jaren twee van de belangrijkste vestingsteden aan de noordelijke grens van Brabant — Geertruidenberg was in 1589 door muitende Engelse huurlingen aan de Spanjaarden verkocht en werd pas in de zomer van 1593 door Maurits heroverd (het beleg dat dit verhaal volgt) (Bron 66); Breda was in 1590 via de list van het Turfschip door Maurits ingenomen. Het bevel over het garnizoen van zulke frontsteden werd doorgaans toevertrouwd aan ervaren officieren. Duycks journaal laat zien dat Vernier als kapitein inderdaad een actieve, vertrouwde rol vervulde tijdens het beleg zelf; wanneer en in welke vorm hij precies tot commandeur van beide steden werd aangesteld, vermeldt Duyck niet — die titel is alleen bekend uit de latere Dordtse bron.

Is kapitein Vernier tijdens dit beleg gesneuveld?

Nee — dat blijkt niet uit de bronnen. Kapitein Vernier is door het hele beleg heen actief: hij trekt op 6 april de veroverde schans binnen, zijn soldaten buiten paarden bij Oosterhout (31 mei) en nemen gevangenen bij Wasbeek (19 juni), en na de val van de stad wordt zijn compagnie op 5 juli 1593 naar het garnizoen van Breda gestuurd. Pas daarna verdwijnt hij in Duycks journaal uit beeld. Uit het begraafregister van Breda blijkt dat een Peeter Vernier op 2 september 1593 in Breda is begraven — nog geen twee maanden na zijn overplaatsing daarheen. En in het Register van Holland en Westvriesland van diezelfde periode staat, gedateerd 6 tot 18 september 1593, de volgende nominatie (Bron 65):

Nominatie van het Capiteinschap van Vernier. Is geprocedeert tot nominatie van drie Persoonen, in plaatse van Capitein Vernier, en zijn bij de meeste stemmen genomineert, François Vernier, Charles Lambert en Guillaume Duyck, welke Nominatie zijne Excellentie is overgezonden.

Dat sluit precies op elkaar aan: zijn kapiteinschap moest één tot twee weken na zijn begrafenis worden opgevuld, wat vrijwel zeker betekent dat de vacature door zijn overlijden ontstond. Interessant is dat één van de drie kandidaten voor zijn opvolging François Vernier heet — dus blijkbaar een andere persoon dan kapitein Pieter Vernier zelf, ook al gebruiken andere bronnen "Pieter" en "François" soms door elkaar voor dezelfde man. Mogelijk gaat het om een zoon, broer of neef die in dezelfde compagnie diende. Dit verdient verder onderzoek, maar het antwoord op de vraag of Pieter is gesneuveld in de strijd zelf, is: nee, voor zover de bronnen laten zien overleefde hij het beleg en stierf hij enkele maanden later in zijn garnizoensstad Breda — oorzaak onbekend.

De veldtocht in kaart

Geertruidenberg belegerde stad Raamsdonk Oosterhout Made Drimmelen Breda garnizoen & sterfplaats, sept. 1593 Heusden Bommelerwaard

Schematische kaart van de belangrijkste plaatsen uit Duycks journaal, april–juli 1593 (niet op exacte schaal). De stippellijn volgt de route van het beleg van Geertruidenberg naar de garnizoensstad Breda en de latere veldtocht naar de Bommelerwaard.

Het beleg, dag na dag

Hertaald naar hedendaags Nederlands op basis van Duycks journaal (Bron 64); namen van personen en plaatsen zijn zoveel mogelijk in hun herkenbare vorm gezet (bijvoorbeeld Oosterhout voor "Osterhout", Made voor de "Medesche wech").

5 april 1593

's Ochtends vroeg schoot de bezetting van Geertruidenberg fel op de Staatse troepen die op de dijk lagen; de eigen kant beantwoordde het vuur vanaf Lijndonk en het Gasthuisland met vier kanonnen. Er viel geen noemenswaardige schade, wel enkele gewonden. 's Middags rond acht uur werd het schansje van de vijand opgeëist door Pauls Bacx, met een trompetter van Prins Maurits ("Zijne Excellentie"). Na onderhandelingen werd kapitein Vernier de schans in gestuurd als Staats onderhandelaar, terwijl een sergeant en een edelman naar Maurits kwamen — die daar deden alsof Vernier zelf binnen het fort had gehandeld. Maurits liet weten dat de bezetting mocht vertrekken met wapens en bagage, mits niet richting Geertruidenberg, en dat ze dat nog dezelfde dag moesten beslissen. Uiteindelijk werd afgesproken dat ze naar Antwerpen zouden vertrekken, met hun sergeant als gijzelaar tot de volgende dag. 's Middags trokken 300 man van de regimenten van Graaf Hendrik en Balfour naar Raamsdonk, om die nacht per schuit over te steken naar de dijk en zo droog op wacht te komen. 's Nachts werd verder genaderd tot de stad, en werden geschutstukken bij Lijndonk geplaatst.

6 april 1593

's Ochtends rond negen uur verliet de vijand het schansje: nog 133 man uit verschillende compagnieën binnen Geertruidenberg, onder bevel van kapitein Monsieur de Ton, geëscorteerd door zo'n 30 paarden van Chinsky, richting Antwerpen. In de schans werden nog 1000 pond buskruit, munitie, twee mortieren, negen vaten meel, ruim 300 broden en wat bier, vlees en zout gevonden. De verdedigingswerken bleken zo sterk dat het fort nog vele dagen weerstand had kunnen bieden — de overgave kwam vooral doordat de bezetting uit verschillende, onderling weinig gedisciplineerde compagnieën bestond. 's Avonds trok kapitein Vernier met zijn compagnie de schans in. Er werd verder gewerkt aan een nieuwe schans en aan het versterken van de loopgraven.

12 april 1593

Terwijl het werk aan de versterkingen doorging, sloeg storm en regen om in een gevaarlijke wassing van het water — zo hoog dat de hele legerkwartieren dreigden onder te lopen. De compagnie van de Schotse kapitein Niesbet werd hierdoor overvallen: de vijand viel uit, sloeg zo'n acht Schotten dood en nam er elf gevangen, onder wie twee luitenanten en twee sergeanten; nog twintig raakten gewond. In de paniek probeerde een vaandeldrager zijn vaandel te redden door het weg te halen — maar Graaf Van Hohenlohe liet het, met enkele soldaten van Vernier, weer overeind planten en stelde de troepen gerust, waarna de vijand terugtrok. Door het hoge water moest het versterkingswerk grotendeels stilgelegd worden.

31 mei 1593

Ruiters van Putlis buitten 's ochtends 18 pakpaarden van de vijand die buiten Oosterhout liepen te grazen; kort daarna buitten Verniers soldaten nog eens acht paarden en namen twee Duitse bewakers gevangen. Later op de dag legde Graaf Van Hohenlohe met zo'n 150 man een mijn bij de schans van Stelhoff om de vijand uit te lokken — de ontploffing richtte weinig schade aan, en bij het daaropvolgende treffen sneuvelden drie Staatse soldaten en raakte hopman Vijch gewond en gevangen. Lord Vere trok nog met 300 Engelsen uit voor een schermutseling, zonder resultaat. 's Nachts veroorzaakte een geheime, mislukte nadering van vijandelijke troepen groot alarm in het Staatse kamp, maar tot een treffen kwam het niet.

3 juni 1593

Gevangen vijandelijke soldaten onthulden een plan van Graaf Van Mansfelt om via het kanaal van Drimmelen kruit en chirurgijns de belegerde stad in te smokkelen; de Staatse waterwachten werden gewaarschuwd. Onderschepte brieven, meegebracht door ritmeester Edmont vanuit Breda, onthulden dat twee vijandelijke officieren gesneuveld waren en dat de bezetting zelf geen hoop meer had op ontzet — de stad zou "met kleine eer" moeten worden opgegeven. 's Nachts mislukte een geplande overval op het kamp waar Vernier gelegerd lag door een misverstand van Graaf Van Hohenlohe. Diezelfde nacht werd vanuit de stad een briefje gegooid met de mededeling dat de gouverneur dood was, er nog maar 500 soldaten over waren en de munitie schaars werd — mogelijk een list, mogelijk waar; zekerheid kwam er niet.

19 juni 1593

Zeven soldaten van Vernier, die 's nachts in een hinderlaag lagen tussen Wasbeek en 's-Gravenmoer, namen acht vijandelijke soldaten gevangen die stro waren gaan halen; één Spanjaard werd gedood, de rest gevangengenomen. De gevangenen vertelden over grote desertie in het vijandelijke leger door armoede. 's Avonds deed de bezetting van de stad een felle uitval via de Brandpoort, die werd afgeslagen — met drie doden en enkele gewonden aan Staatse kant. Deze avond markeert de laatste concrete actie in het overgeleverde fragment vóór de val van de stad.

1 juli 1593 — de tocht naar de Bommelerwaard

Na de val van Geertruidenberg verlegde de veldtocht zich naar de Bommelerwaard. Troepen verzamelden bij Heel en Ammerzoden; Graaf Van Hohenlohe trok via Heusden en Elshout verder. Door zware storm liepen de scheepstransporten vertraging op. Belangrijk voor dit verhaal: "de compagnie van Rijswijck trok de schans bij de Steelhoffsendijk in, omdat Vernier met het regiment van Graaf Philips was vertrokken" — Verniers compagnie verliet dus de streek rond Geertruidenberg.

5 juli 1593

Terwijl het hoofdleger bij Vlijmen en Hedel bleef, werden verschillende compagnieën naar vaste garnizoenen gestuurd: Liere naar Zevenbergen, Boucholt naar Nijmegen, Barnevelt naar Voorne, Hoboocken naar Bergen op Zoom — en Vernier naar Breda. Dat is de laatste vermelding van kapitein Vernier in het overgeleverde fragment van Duycks journaal. Twee maanden later was hij dood.

Lees ook het volledige verhaal van Pieter Vernier →, met zijn huwelijk, familie en de vraag naar een mogelijke adellijke afkomst uit Mechelen.